Kunnen we goed doen zonder vals te zijn?

Een geraffineerd ondeugend kind noemen we een dondersteen of dikke boef.

Maar wanneer gaat kinderlijke slimheid over in kwaadaardig gedrag?

Voor de boekenkast van mijn moeder lag tussen de stapels nieuwe Nederlandse literatuur ook vaak een chocoladeletter. Dat had weinig met de tijd van het jaar te maken. De letter (de T) bleef lang liggen, overleefde doorgaans de zomer en soms lagen er zelfs letters van opeenvolgende sinterklaasedities in de onaangebroken witte doosjes met daarop een grote T in het rood.

Op een regenachtige woensdagmiddag hing ik over de rugleuning van onze groene corduroy bank naar de rode T te staren, toen ik ineens een idee kreeg. Ik nam plaats aan de eettafel tegenover mijn moeder die over haar correctiewerk gebogen zat, en ik legde mijn hand zo nonchalant mogelijk op de thermoskan met thee. „Maham?” vroeg ik, „mag ik een beetje T van jou?” Ze keek op van haar werk, terwijl ze de punt van haar Parker balpen op het proefwerkpapier voor de regel drukt. „Natuurlijk mag je thee. Waarom vraag je dat?” Het antwoord niet afwachtend volgde haar blik opnieuw de Parker langs de regels. Ik haalde de chocoladeletter van mijn schoot trok de verpakking open en knakte een stuk van de donkere chocola. „Dank je”, zei ik met nadruk. Pas toen ik bij het tweede grote stuk met volle mond benadrukte hoe lekker de T was, drong het tot mijn moeder door dat ik een grap met haar uithaalde. De list werd gewaardeerd, ik mocht de hele letter opeten. En terecht, zei ik, ik had het immers eerst netjes gevraagd.

„Pienter boesoek!” was de reactie van mijn vader bij het avondeten. Dit predicaat kreeg mijn gedrag wel vaker. Letterlijk betekent het bedorven slimheid, maar voor een Indo is het een compliment: het is gewiekst, zonder gemeen te zijn. Geraffineerd bedrog met kleine gevolgen.

De uitdrukking is dan misschien Maleis, de gewoonte om kleine kinderen, met name jongetjes, te complimenteren voor bepaald stout gedrag is heel gewoon. Denk aan het liefkozende ‘dondersteen’ of aan ‘dikke boef’ waarmee onze Groningse hulp gecharmeerd over onze zoon praat.

Zou de ex-hoogleraar sociale psychologie Diederik Stapel vroeger ook al zo’n doerak zijn geweest? ‘Vernuftig’ en ‘geraffineerd’ noemt het onderzoeksrapport zijn frauderende werkwijze in ieder geval. De gedetailleerde voorbereidingen voor zijn oplichterij verraden een flinke ervaring in het voor de gek houden. Hij liet door zijn medewerkers snoep kopen die als beloning diende bij de nooit uitgevoerde experimenten. Dit snoep ging, samen met de exact uitgetelde hoeveelheid vragenlijsten en de instructies voor de proefleiders in dozen achterin Stapels auto voor de kinderen die aan het onderzoek meewerkten. Het doet denken aan de voorbereidingen van een uitzending van Bananasplit, alleen zonder de intentie anderen ermee aan het lachen te brengen. Pienter is het wel en verdorven ook, maar mijn vader zou het niet ‘pienter boesoek’ noemen.

Waar precies pienter boesoek overgaat in kwaadaardig raffinement en wanneer een ‘dikke boef’ een echte Willem Holleeder wordt, zijn intrigerende vragen – voer voor psychologen. Het gebruik van ‘pienter boesoek’ en aanverwante predicaten in de opvoeding van onze kinderen is tegelijkertijd een filosofisch dilemma: is een beetje kwaad misschien ergens goed voor of moeten we het buiten de deur houden? Met welk doel moedigen we onze kinderen aan tot kleine overtredingen en oplichtingen? Op dezelfde wijze als Socrates in Plato’s Politeia meent dat een leugen nodig kan zijn ter bevordering van de waarheid, „als een soort geneesmiddel”.

„Het kwaad, zo hebben we geleerd, is iets demonisch; het wordt belichaamd door Satan, een ‘bliksemende val uit de hemel’, of door Lucifer, de gevallen engel”, schrijft Hannah Arendt (1906-1975) enkele jaren voor haar dood in Thinking het eerste deel van Life of the mind. Slechte mensen, zo wordt ons verteld, handelen uit afgunst, zwakheid of haat. Maar wat haar was opgevallen toen ze als verslaggeefster voor The New Yorker in 1961 het Eichmann-proces in Jeruzalem bijwoonde, was juist de „banaliteit van het kwaad (...) een klaarblijkelijke oppervlakkigheid van de dader, die het onmogelijk maakte om de onbetwistbare slechtheid van zijn daden tot een dieper niveau van oorzaken of drijfveren te herleiden.” De gedachteloze ambtenaar, die herhaaldelijk benadrukt louter het bevel van hogerhand te hebben uitgevoerd, is niet de duivel in eigen persoon, maar is door zijn verzuim te denken overgeleverd aan een alledaagse toestand waarin het grootste kwaad zich kan voltrekken. „Mensen die niet denken zijn als slaapwandelaars.”

Arendt zoekt of er iets in het denken is dat ons kan behoeden voor deze gevaarlijke gedachteloze toestand en wijst er dan op dat het denken zelf een fundamenteel gevaarlijke activiteit is. Het trekt zich terug om de wereld op losse schroeven te zetten. „Terwijl ik denk, ben ik niet waar ik feitelijk ben”, schrijft Arendt. „Het denken gaat ‘buiten de orde’ omdat het alle andere activiteiten doet ophouden die nodig zijn voor de taak te leven en in leven te blijven.”

De ondermijning van de alledaagse praktijk door het denken heeft het voordeel dat het ons ook los kan maken uit de gedachteloze navolging van een inhumaan systeem, maar dus als groot nadeel dat het abstracte denken losstaat van de concrete werkelijkheid. De vraag is dan hoe een mens de stap maakt van het denken naar het doen – en als het even kan naar het goede doen. Hoe kan de denkende mens zich ook echt verantwoordelijk gaan voelen?

Door je erin te oefenen. Maar hoe? Je kunt het leven toch niet eerst oefenen en daarna doen. Wat we wel kunnen doen, volgens Arendt, is het oefenen in voorbeelden uit de literatuur of de geschiedenis. Wat we bij de bestudering van een historische situatie of van een literaire plot kunnen merken namelijk, is dat de geschiedenis zich niet als noodzakelijkheid voltrekt, dat er tussen de opeenvolgende gebeurtenissen geen vanzelfsprekende continuïteit bestaat. En daarin kunnen we zien dat er voor ons eigen handelen ook nog enige ruimte bestaat.

Dat blijft toch een beetje droog oefenen. Hoe oefenen we het handelen zelf, niet met terugwerkende kracht, maar op het moment dat we het goede moeten doen? Daartoe dient dan misschien de waardering van het kleine kwaad van onze kinderen? Zo oefenen ze om, zonder het gevaar van desastreuze gevolgen, los te komen van een slaafs volgen van een systeem. Om wakker te blijven in het leven.

Staatssecretaris Henk Bleker zag er vrijdag 28 oktober vermoeid uit toen hij aanschoof bij Pauw en Witteman. Het zou me dan ook niets verbazen als hij sliep toen hij op grond van „de verantwoordelijkheid voor het hele rechtssysteem en hoe het hele beleid werkt” eerst de uitzetting van Mauro verdedigde „anders wordt het een rommeltje”, om de hulpeloze jongen voor het oog van dezelfde camera een toegangskaart aan te bieden voor PSV-Twente. Niet pienter, wel boesoek.