'Hoe gekker, hoe geloofwaardiger'

De Deense regisseur Mads Brügger legt corruptie in Centraal-Afrika bloot met de verbogen camera. Zijn film The Ambassador opent volgende week IDFA.

‘Vrijelijk opereren aan gene zijde van alle morele grenzen die de mens bekend zijn, en toch een gerespecteerd lid van de maatschappij zijn.” Zo vat de Deense filmmaker Mads Brügger (39) zijn streven samen in de documentaire The Ambassador, die dit jaar het festival IDFA opent.

De voor een groot deel met verborgen camera opgenomen film speelt zich grotendeels af in Bangui, hoofdstad van de Centraal-Afrikaanse Republiek. Brügger koopt het consul-schap van Liberia in Bangui, in de hoop geld te verdienen met lokaal geproduceerde diamanten. Bij wijze van dekmantel maakt hij aanstalten een luciferfabriek op te zetten.

De Centraal-Afrikaanse Republiek blijkt een volkomen corrupt land, waar zakenman noch diplomaat zijn leven zeker is. We zien hem kwistig rondstrooien met steekpenningen in zogeheten ‘vreugde-enveloppen’, zowel voor ambtenaren als ministers. We volgen zijn onderhandelingen met schimmige zakenlieden in de diamantbusiness, waar de prijs van een contract binnen een minuut onverklaarbaar met 50 procent kan stijgen. Amicale gesprekken met collega-consuls leren ons dat Brügger in Bangui zeker niet de enige is die zijn diplomatieke status zakelijk wil uitbuiten.

Spectaculair zijn de inzichten die worden verstrekt door het hoofd van de nationale staatsveiligheid, een veteraan van het Franse vreemdelingenlegioen, die op een dag zelf vermoord wordt teruggevonden. Op dat moment wordt het de Liberiaanse consul in Bangui zwaar te moede, daar langzaam duidelijk wordt dat contract noch diplomatieke status hem het leven zou redden op het moment dat hij zou proberen diamanten te exporteren – in de edele delen van zijn charmante assistente Maria, zoals zakelijke contacten hem aanraden.

Hij neemt de benen, maar in de acht weken daarvoor is een even schokkende als humoristische film ontstaan, waarin Brügger een voor zijn contacten in Bangui kennelijk volledig bevredigende parodie op een westerse diplomaat in Afrika heeft neergezet.

The Ambassador is niet de eerste film waarin Brügger participating journalism bedrijft, met zichzelf als fictief personage in de hoofdrol. In 2010 won hij op het Sundancefestival een prijs voor The Red Chapel, waarin hij met twee Deense komieken in de Noord-Koreaanse hoofdstad Pyongyang poseert als een Deense communistische theatergroep die een optreden wil verzorgen – de Noord-Koreaanse autoriteiten in grote verwarring brengend.

„De beste manier om je ware bedoelingen te verbergen is zo zichtbaar mogelijk te zijn”, zegt de meer dan twee meter lange Brügger als we hem in Kopenhagen treffen in het kantoor van Radio 24-syg. Dat is een op 1 november gestart talkradio-station waarvan hij directeur is, na een carrière als presentator en documentairemaker bij de Deense publieke omroep. „Je wordt pas verdacht als je je bescheiden opstelt, en discreet opereert. Ik heb me in de voorbereiding grondig verdiept in de do’s and don’ts van het diplomatieke bestaan: hoe je moet praten, je kleden, wat de juiste aftershave is, en welk merk sigaretten (Dunhill). Ik wilde niet een diplomaat spelen, maar er eentje zijn.”

Indrukwekkend zijn uw bizarre toespraken, die bij uw Afrikaanse contacten nochtans goed vallen.

„Ik heb geprobeerd aan te sluiten bij de voorstelling die Afrikanen hebben van een blanke, westerse diplomaat. Een zekere mate van excentriciteit hoort daarbij. Zo draag ik de ring van de jarenvijftigstripheld The Phantom, met een motief dat aan een swastika doet denken, citeer ik Churchill en maak ik grapjes over Hitler. Vindt niemand raar. De andere consuls die je in de film ziet, zijn ook schilderachtige figuren. Zó weggelopen uit een roman van Graham Greene”.

Brügger kreeg het idee voor The Ambassador in 2007, toen hij hoorde van bedrijven die – al of niet bona fide – handelen in diplomatieke titels. Na enkele onvruchtbare contacten – bijna geen land bleek geïnteresseerd in een vertegenwoordiger in Bangui – ontmoette Brügger de Nederlandse zakenman Willem Tijssen. Die is, na een avontuurlijk leven waarin hij onder andere de compagnon was van de befaamde witwasser Robert Jan Doorn, in West-Afrika werkzaam als – naar eigen zeggen – opportunity developer. A raison van 135.000 euro wil hij wel zorgen voor een aanstelling tot consul in Bangui voor Liberia, inclusief een Liberiaans rijbewijs en een academische titel van de Universiteit van Monrovia.

In de film blijkt dat niet geheel soepel te verlopen. Reeds hoog en breed in Bangui merkt Brügger dat zijn ‘diplomatieke paspoort’ geen regulier document is en ook zijn officiële aanstelling laat op zich wachten. De benarde Deen belt regelmatig Tijssen waar de documenten blijven. Een van de talrijke uitvluchten van de Nederlandse zakenman is dat diens eigen contact in de Liberiaanse hoofdstad Monrovia, een zekere dr. Eastman, onder onduidelijke omstandigheden om het leven is gekomen. Na lang aandringen en twee bezoeken van Brügger aan Monrovia – waarbij ook weer de nodige ‘vreugde-enveloppen’ worden uitgedeeld – komt alles toch in orde. We zien de filmmaker zelfs op officieel kennismakingsgesprek bij de Liberiaanse minister van Buitenlandse Zaken.

Is Tijssen blij met uw film?

„Tijssen is erg boos. Wel een beetje hypocriet, omdat hij met mij immers ook spelletjes heeft gespeeld. Die fameuze dr. Eastman heeft volgens mij nooit bestaan. Maar eerlijk is eerlijk: ten slotte heeft hij geleverd. Alleen die academische titel, daar wacht ik nog op.”

Tijssens gezicht is duidelijk zichtbaar, net als dat van alle anderen die u spreekt. Hebt u niet overwogen identiteiten te verhullen, in verband met juridische of andere consequenties?

„Dat is in Denemarken niet gebruikelijk, behalve in uitzonderingsgevallen – wanneer iemand verdachte in een strafzaak is bijvoorbeeld. In mijn film is bijna iedereen een schurk met een geprivilegieerde positie. Dat soort mensen kan heel goed voor zichzelf zorgen. Ik heb vaak wel in angst gezeten. Als het hoofd staatsveiligheid mijn kantoor had laten doorzoeken en de opnamen had gevonden die we heimelijk van hem hadden gemaakt, had ik onvoorstelbaar grote problemen gekregen.”

Er komen in de film ook openlijk gemaakte opnamen voor. Wekte dat geen argwaan?

„Nee, ik zei dat die bestemd waren voor mijn investeerders, in dit geval dus een eufemisme voor het Deense Filmfonds. Mijn cameraman, Johan Stahl, stelde ik voor als mijn persvoorlichter. Ik denk dat in de Centraal-Afrikaanse Republiek niemand verdacht was op de mogelijkheid dat je met kleine digitale camera’s een film kunt draaien. De televisie werkt daar nog met voorwereldlijk grote apparatuur.”

Waarom Afrika? Had u de handel in diplomatieke posten ook niet ergens anders op de wereld kunnen onderzoeken?

„Ofschoon ik nog maar één keer in mijn leven in Afrika was geweest, op reportage in Kenia, had ik altijd een soort romantische hang naar het wrede Afrika dat ik in mijn jeugd op de televisie zag – het Afrika van Idi Amin, keizer Bokassa, Mobutu. De Centraal-Afrikaanse Republiek voldeed van alle Afrikaanse landen nog het meest aan dat beeld, vertelden kenners mij. Dat klopt.”

‘The Ambassador’ is geproduceerd door Zentropa, de productiemaatschappij van Lars von Trier. Waarom komen er uit Denemarken de laatste jaren zoveel internationaal succesvolle films, veel meer dan uit Nederland bijvoorbeeld?

„Ik denk dat de creativiteit van Deense filmmakers te maken heeft met een revolte jegens de normen van de Deense welvaartsstaat uit onze jeugd. Als je op school door vrouwen bent opgevoed die nieuwe woorden verzonnen voor de geslachtsdelen om gender-discriminatie tegen te gaan, dan word je vanzelf opstandig.”