Exotische ritmes + Britse laptoptovenarij =

Elf Britse producers werkten samen met meer dan vijftig Congolese muzikanten.

„Er hing een ongelooflijk chaotische, levendige en uitgelaten sfeer in de studio.”

Kinshasa, juli 2011. In de kleine muziekstudio naast de Franse ambassade is het een komen en gaan van Congolese muzikanten. In een hoek speelt een groep percussionisten een nerveus, opzwepend ritme. Hun instrumenten zijn gemaakt van afval en schoot, zoals beschilderde jerrycans, blikjes, afgedankte ventilatoren, stukken plastic en lege melkpakken. Andere Congolezen zitten op plastic tuinstoelen toe te kijken, terwijl kinderen tussen hen door dansen.

In dit gezelschap van uitbundige zwarte muzikanten valt het handjevol jonge, blanke producers duidelijk uit de toon. Met hun koptelefoon op staren ze geconcentreerd naar hun Apple-laptops en andere dure apparatuur. Sommigen nemen foto’s met hun smartphone, anderen maken aantekeningen op hun iPad. Het contrast kan niet groter zijn.

Dit zijn beelden uit de trailer voor het album Kinshasa One Two, dat afgelopen maandag verscheen. Het bijzondere project is opgezet door Damon Albarn (Blur, Gorrilaz). Hij verzamelde elf Britse producers onder de naam Congo DRC en stuurde ze afgelopen zomer naar Kinshasa om in vijf dagen tijd een plaat op te nemen. Ze werkten samen dan meer dan vijftig Congolese muzikanten uit alle hoeken van het immense land. Van een rapper die verhaalt over de roof van grondstoffen in de mijnen van Oost-Congo tot een zanggroep van pygmeeën uit het oerwoud.

Albarns interesse voor Afrikaanse muziek werd gewekt toen hij in 2001 voor hulporganisatie Oxfam naar Mali ging. Hij kwam terug met ruim veertig uur opnames, waar hij terug in Londen liedjes van maakte met lichte computereffecten. Het resultaat was het album Mali Music, dat Malinese muziek onder de aandacht bracht van een breed publiek. Sindsdien heeft hij met de Nigeriaanse drummer Tony Allen (vader van de Afrobeat) muziek in Nigeria opgenomen, produceerde hij een plaat voor het blinde Malinese duo Amadou & Miriam, en bezocht hij Congo, Mali en Nigeria met de Africa Exprez, een show waarbij Britse en Afrikaanse muzikanten samen jammen.

Tijdens de tour van de Africa Exprez vorig jaar ontstond het idee voor Kinshasa One Two. „We waren in Ethiopië en maakten vaak samen muziek op onze hotelkamer”, vertelt Rodaidh, bekend als producer van de Britse band The XX, die mee was op tour. „We hadden het erover dat het geweldig zou zijn om naar Afrika te gaan om een plaat op te nemen. Om de ervaring en inspiratie die je opdoet om te zetten in muziek. Zo kwamen we op het idee om een culturele uitwisseling te organiseren.”

Behalve Albarn en Rodaidh waren de meeste producers nog nooit in Afrika geweest, wat voor een flinke cultuurshock zorgde. „We kwamen uit het vliegtuig en gingen meteen naar een club voor een optreden. Om elf uur ’s ochtends”, vertelde Albarn in een radio-interview voor de BBC. „Het was de perfecte introductie, want de band speelde geweldig. De sample die we gebruikt hebben voor het nummer ‘Halo’ was van die band. Het voelde als een warm onthaal. Op een bepaalde manier is dat waar dit project over gaat: niet ergens te lang in blijven hangen, maar gewoon het moment proberen te vangen.”

Dat is een van de dingen die Rodaidh heeft geleerd in Kinshasa. Hij is gewend om eindeloos aan tracks te sleutelen. „Als artiesten iets hebben geschreven, duurt het soms wel acht maanden voordat we dat hebben opgenomen”, vertelt hij. „Het was erg inspirerend om zo snel te werken. Veel van de energie in de studio is terechtgekomen op de plaat. Je kan horen dat het heel direct is, de muziek klinkt niet af. Ik realiseerde me hoeveel muziek tegenwoordig overgeproduceerd is.”

De producers hebben de Congolese muzikanten niet simpelweg opgenomen en op plaat gezet. „Er waren geen regels, de enige afspraak was dat we alleen geluiden zouden gebruiken van de muzikanten. Dus geen samples en drumcomputers”, zegt Kwes, een jonge Britse producer en liedjesschrijver die eerder werkte aan Albarns opera ‘Monkey’.

Het resultaat is een botsing van twee werelden: de exotische ritmes, raps en zangpartijen van de Congolezen zijn bouwstenen voor de Britse samplekunst en laptoptovenarij. In sommige nummers is de Congolese muziek redelijk intact gebleven, in andere zijn de geluiden bijna onherkenbaar vervormd tot rudimentaire dancetracks.

Het album is opgenomen in het Franse cultureel centrum in Kinshasa. Daar konden ze terecht dankzij de Franse filmmakers Renaud Barret en Florent de la Tullaye, die een documentaire maakten over een band van Congolese straatmuzikanten met polio, Staff Benda Bilili (Benda Bilili, 2010). Barret en De la Tullaye wonen al zeven jaar deels in Congo en bouwden een groot netwerk van Congolese muzikanten op. Die kwamen uit het hele land om te spelen.

„Er hing een ongelooflijk chaotische, levendige en uitgelaten sfeer in de studio. Muziek is hun tweede natuur, iedereen kan spelen”, vertelt Kwes. Hij nam een nummer op met de pygmeeënband Bokatola System, wiens inventieve percussie met metalen buizen, slangen van een wasmachine en zelfs een plastic boodschappentas de ritmische basis werd voor een aantal tracks op het album.

„Ik was erg opgewonden, want ik had al wat stukjes gehoord en dat klonk echt fantastisch. Ze zongen traditionele, meerstemmige muziek met veel herhalingen. Omdat anderen vooral de percussie hadden gebruikt, heb ik me op de zang geconcentreerd. Ik werkte eraan voordat ik ging slapen, dus ik was in een rustige stemming. De opname van de pygmeeën veranderde zo in een langzame en broeierige ambienttrack.”

Rodaidh wilde een nummer maken met een politieke boodschap, om de aandacht te vestigen op de uitbuiting in Oost-Congo, waar mensen vaak gedwongen moeten werken in illegale mijnen. „Het was enorm ironisch”, zegt hij. „Ik zat daar te werken aan een nummer over uitbuiting in Oost-Congo, terwijl mijn laptop vol zit met de grondstof coltan die daar wordt gewonnen.”

Voor de tekst van het nummer kwam hij uit bij Jupiter Bokondji, een zanger en acteur die ontdekt is in 2004 dankzij de documentaire La Danse de Jupiter, eveneens van Barret en De La Tullaye. In de film fungeert Jupiter als een gids die de kijker met zijn monoloog door de getto’s van Kinshasa leidt waar rappers, gehandicapte blueszangers en andere muzikanten vechten voor hun bestaan. Rodaidh: „Ik heb uitgelegd waar het ongeveer over moest gaan en hij kwam met het idee om een monoloog te doen, net als in de film. Dat heeft met zijn diepe stem geweldig uitgepakt.”

Het meest geweldige aan Congolese muziek is de vindingrijkheid, zeggen Kwes en Rodaidh, die veel hebben geleerd over originaliteit. „Niemand heeft geld, dus elke muzikant maakt zijn instrumenten zelf”, zegt Rodaidh. „Daardoor is hun geluidspalet totaal anders dan we gewend zijn en dat was erg inspirerend. In Londen gebruiken producers meestal dezelfde synthesizers, dezelfde software en dezelfde trucs. Het heeft me aan het denken gezet: waarom zou ik niet altijd andere geluiden gebruiken?”