De collega met de romantische blik en het mooie verhaal

Hij wilde liever niet uitgezonden worden naar ‘deftige posten’. Dat vond F. Springer beter voor zijn schrijverschap.

F. Springer, pseudoniem van Carel Jan Schneider, was in de eerste plaats schrijver en pas daarna diplomaat. Dat zegt oud-minister van Buitenlandse Zaken en ex-diplomaat Ben Bot over de schrijvende diplomaat die maandagavond na een langdurige ziekte op 79-jarige leeftijd overleed. „Beide deed hij uitstekend”, aldus Bot. Schneider en Bot zaten begin jaren zestig in hetzelfde zogeheten ‘diplomatenklasje’ van Buitenlandse Zaken. „Schneider was een zeer relativerend mens en beschreef de wereld met een afstandelijke, humoristische en romantische blik.”

Springer debuteerde in 1962 met de verhalenbundel Bericht uit Hollandia. Hij schreef ook de romans Tabee New York (1974), Bougainville (1981) Quissama (1985) en Teheran, een zwanenzang (1991). In 1990 schreef hij het boekenweekgeschenk Sterremeer. En in 2010 verscheen Quadriga, een eindspel, met Oost-Berlijn als decor, waar hij tot de val van de Muur ambassadeur was. Voor zijn oeuvre ontving Springer in 1995 de Constantijn Huygensprijs.

Volgens de huidige secretaris-generaal van het ministerie, Ed Kronenburg, zullen zijn vrienden en bewonderaars op het departement Springer herdenken als „de schrijver en collega met het mooiste verhaal”. Juist vanwege zijn schrijverschap had Springer belangstelling voor de meer exotische plaatsen om naar toe gestuurd te worden. Toen Bot secretaris-generaal van het ministerie was, vroeg Springer nadrukkelijk hem niet „naar deftige posten” uit te zenden, zo herinnert hij zich.

Zijn vriend en collega Lodewijk van Gorkom, die onder andere eind jaren zestig samen met Springer op de ambassade in Bangkok zat, is er ook van overtuigd dat Springer zijn diplomatieke leven wilde gebruiken om „inspiratie voor zijn schrijverschap op te doen”.

Maar andersom manifesteerde hij zich tevens „als een uitstekend diplomaat vanwege zijn diepe interesse in de cultuur en geschiedenis van de landen waar hij werkzaam was.”

Volgens Van Gorkom moest Springer weinig hebben van diplomatieke uiterlijkheden en was dat ook herkenbaar in zijn boeken. Soms zo subtiel dat alleen insiders het herkenden, aldus Van Gorkom.

An de Bijll Nachenius was Springers plaatsvervanger in Berlijn. „Hij was als ambassadeur een heel andere man dan als schrijver”, is haar ervaring. De immer relativerende Springer was er bijvoorbeeld niet over te spreken dat de nieuwe Russische ambassadeur zich niet aan hem was komen voorstellen, zoals het diplomatieke gebruik voorschrijft. Op zijn beurt weigerde hij vervolgens met de Rus in contact te treden. Maar zij maakte ook de schrijver Springer mee „die in een leren jack naar West- Berlijn trok om een lezing van een Nederlandse schrijver bij te wonen.”