Buitenlands adoptiekind heeft vaak een handicap

Met alle toestanden rond Mauro stond adoptie volop in het nieuws. Ons land telt bijna veertigduizend uit het buitenland afkomstige geadopteerden. Elk jaar komen daar zes- tot zevenhonderd adoptiekinderen bij, kinderen afkomstig uit vijftig landen, vooral uit China.

In de herkomstlanden is de belangstelling voor adoptie van een gezonde baby sterk toegenomen. Voor oudere adoptiekinderen, en die met een handicap, bestaat minder interesse. Deze kinderen kunnen worden geadopteerd door westerse echtparen. Meer dan 60 procent van onze buitenlandse adoptiekinderen heeft bij aankomst een fysiek of psychisch probleem – klompvoetjes, een hazelip, een hartafwijking, een ontbrekende ledemaat of een grote achterstand in de ontwikkeling.

Adoptiekinderen vereisen dus bijzondere zorg. De ‘adoptierugzak’ waarmee het kind het adoptiegezin binnenstapt, is de laatste jaren alleen nog maar voller met problemen geworden. Adoptiegezinnen hebben daarom vijf- tot zesmaal vaker een Bureau Jeugdzorg nodig, vooral doordat adequate zorg direct na aankomst van het kind vrijwel ontbreekt. De Stichting Adoptievoorzieningen (SAV) doet haar best dit hiaat enigszins op te vullen, maar kan dit slechts gedeeltelijk.

Nu heeft staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten (Welzijn, CDA) nota bene aangekondigd dat ze extra zal bezuinigen op de SAV.

Deze bezuiniging zal geen bezuiniging zijn, maar een overheveling van kosten naar andere delen van het ministerie. Economisch gezien zou het veel logischer zijn om de adoptiezorg uit te breiden en meteen te starten bij aankomst van het adoptiekind.

René Hoksbergen

Emeritus hoogleraar adoptie aan de Universiteit Utrecht