BRICS-landen steunen noodfonds voorlopig niet

Renée Postma

Als er niet snel duidelijkheid komt over de precieze details van het Europese noodfonds EFSF, zullen landen als Rusland en China er geen cent in stoppen.

Dat concludeerde Christine Lagarde, directeur van het Internationaal Monetair Fonds (IMF), dinsdagmiddag in Moskou na een bezoek van twee dagen. „De regels en het functioneren van het noodfonds zijn onvoldoende duidelijk voor beleggers om te kunnen besluiten of ze er geld in willen steken”, aldus Lagarde. „Zolang dat het geval blijft, zullen de grote opkomende economieën, de zogeheten BRICS-landen, eventuele financiële steun aan de euro uitsluitend via het IMF willen geven.”

Om de zich snel uitbreidende eurocrisis te bestrijden, besloten de 17 landen van de eurozone eind oktober om de slagkracht van het noodfonds EFSF te vergroten tot ongeveer 1.000 miljard euro, zonder dat de eurolanden er meer geld in steken. De uitwerking van dat uitgebreide fonds moet begin december rond zijn.

De verwachting was dat de BRICS-landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika) geld zouden investeren in de operatie door middel van een speciaal fonds. Maar tijdens de bijeenkomst van de G20 in Cannes, eind vorige week, bleek hun animo uiterst gering. „Bijna geen enkel land hier is van plan om mee te doen aan het noodfonds”, moest de Duitse bondskanselier Angela Merkel na afloop van de bijeenkomst van de twintig rijkste landen vaststellen.

Lagarde kreeg maandag in Moskou te horen dat Rusland op zich best bereid is Europa financieel te steunen, maar dan uitsluitend via het IMF. Moskou heeft 10 miljard euro klaarliggen, was de boodschap.

Maar daar wil de Russische regering wel wat voor terughebben: een belangrijkere rol voor Rusland binnen het IMF. En niet alleen voor Rusland maar voor alle BRICS-landen. Het IMF moet zich houden aan de toezegging dat het een grotere rol inruimt voor de opkomende economieën, eiste minister Lavrov van Buitenlandse Zaken.

ING-econoom Rob Rühl zegt in een reactie de terughoudendheid van de BRICS-landen om geld te steken in het EFSF wel te begrijpen. „Ze willen vooral zekerheid voor hun buitenlandse investeringen en die is op dit moment groter als de steun via het IMF loopt, dan via het noodfonds dat veel politieker is.”

Maar tegelijkertijd hebben de BRICS-landen ook grote belangen bij een stabiele Europese afzetmarkt, tekent Rühl aan. En dus bij een snelle oplossing van het probleem. Van de Russische export, die vooral uit olie bestaat, gaat meer dan eenderde naar Europa. Van de Braziliaanse export – vooral landbouwproducten – gaat bijna eenvijfde naar Europa, en van de Chinese 15 procent. Het wegvallen van deze afzetmarkten zou dramatische gevolgen hebben voor de economieën in deze landen.

Rühl vindt het van groot belang dat de opkomende economieën uiteindelijk toch meedoen aan het Europese noodfonds. Niet zozeer om de hoogte van het bedrag dat ze mogelijk in het EFSF zullen steken, want dat zal volgens Rühl op zich niet voldoende zijn om het noodfonds te vullen. Maar wel als signaal, omdat deelname van de BRICS-landen duidelijk zou maken dat een stabiele Europese markt de hele wereld raakt.

Vanmorgen waarschuwde Lagarde, inmiddels gearriveerd in Peking, dat de wereldeconomie het risico loopt in „een verloren decennium terecht te komen” en dat Aziatische landen „niet immuun zijn” voor de problemen in de eurozone en de VS. Het IMF stelde zijn groeiverwachting voor de Aziatische economieën vorige maand naar beneden bij: van een gemiddelde 7 procent naar 6,3.