Zeer ernstige giframp bleek een stankincident

Was het ongeluk met de Probo Koala een ‘giframp’ of een opgeblazen mediahype?

Geen van beide. Wel moeten media voorzichtig zijn met allianties met actiegroepen.

De ‘giframp’ met de Probo Koala, in augustus 2006, was volgens journalist Jaffe Vink een mediahype, opgeblazen door Greenpeace en de Volkskrant. In zijn onlangs verschenen boek Het gifschip schrijft Vink dat er helemaal geen doden vielen door het chemische afval dat het schip van oliehandelaar Trafigura dumpte in Abidjan, Ivoorkust. Er was geen giframp, maar een ‘stankincident’. Dat leidde op grote schaal tot hoofdpijn en misselijkheid, maar vooral tot paniek in Abidjan en ‘rampenporno’ in de media.

Vink maakt een uitzondering voor Karel Knip, wetenschapsredacteur van NRC Handelsblad en nrc.next. Die had het volgens hem als enige bij het rechte eind. Knip hield van meet af aan vol dat niet bewezen was dat er doden waren gevallen. Sterker, dat was onwaarschijnlijk. De concentratie van schadelijke stoffen in de lucht, en de blootstelling eraan, konden volgens Knip daarvoor niet hoog genoeg zijn geweest.

Over de ‘zeventien doden’ (en duizenden gewonden) bestaat inmiddels alom twijfel. Die informatie wordt nu standaard toegeschreven aan de autoriteiten in Ivoorkust en niet meer voor eigen rekening genomen. De Volkskrant heeft erkend dat in die krant te stellig over doden is bericht – net als in de meeste media. Hoofdredacteur en ombudsvrouw van de krant wijzen Vinks verwijt dat de krant „handelde in angst” af.

Vink is niet de eerste die de berichtgeving heeft onderzocht. In haar onderzoek Gif en griep in Ivoorkust komt de Amsterdamse studente Journalistiek Leoni Bibi Bleekemolen in mei van dit jaar tot de conclusie dat de interpretatie (frame) die Greenpeace de media leverde – een zeer ernstige giframp – het meeste succes had. De term ‘gifschip’ werd ook voor het eerst gebruikt in een persbericht van de milieuorganisatie.

Bleekemolen lichtte twee kranten door – de Volkskrant en NRC Handelsblad – en stelde vast dat de berichtgeving over de effecten van het afval „inconsequent en fragmentarisch” is geweest. Met name ontbrak het aan twijfel over de sterfgevallen. Geen ondergeschikt punt, want juist „de doden hebben de affaire vleugels gegeven”, aldus Volkskrant-verslaggever Jeroen Trommelen, evenals Knip geïnterviewd voor de scriptie.

Maar ook bij NRC Handelsblad en nrc.next ging de berichtgeving niet zonder slag of stoot. Aanvankelijk werd die verzorgd door correspondente Pauline Bax in Ivoorkust en onderzoeksjournalist Joep Dohmen op de redactie. Bax schreef als eerste over de zaak, voor het persbureau AP, en wist als enige de hand te leggen op een plaatselijk rapport over het afval.

Knip meldde zich vervolgens met bedenkingen. Maar Bax en Dohmen vonden hem op zijn beurt te stellig in zijn conclusies. Het kwam tot een aanvaring met Dohmen, toen Knip zijn bevindingen in de krant had gezet – met een fout in de bronvermelding, die moest worden rechtgezet. Ook werd de vermelding dat het afval waarschijnlijk niet giftig was, zo uitgelegd: „Bedoeld is dat de aanwezigheid van dodelijke concentraties van waterstofsulfide en mercaptanen in de lucht niet is aangetoond.” De ruzie tussen Knip en Dohmen werd gesust door een lid van de hoofdredactie.

Toch bleef de krant daarna twee sporen volgen. In artikelen van Knip was geen sprake van een gifschip of giframp. Maar in koppen en intro’s van andere stukken van redacteuren en persbureaus bleven die woorden steevast opduiken.

Geen wonder, zegt ook Knip, want alle media schreven over gif en doden. Bovendien, zegt een toenmalige bureauredacteur: ‘gifschip’ past altijd wel in een kopregel. Probeer dat maar eens met ‘ernstig stankincident’. Knip maakte soms bezwaar, maar werd gehinderd door het feit dat hij de enige uitgesproken scepticus was. Wie was hier nu gek?

Wat Knip ook niet hielp, is dat Trafigura blij was met zijn bevindingen en die presenteerde als bewijs van onschuld. Het bedrijf liet niets na om het andere journalisten moeilijk te maken, terwijl het Knip documentatie stuurde. Maar ook volgens Knip had het bedrijf het afval nooit op zo’n achteloze manier mogen dumpen. Onder andere omstandigheden, zegt hij, had het heel anders kunnen aflopen.

De juridische procedures rond de zaak in Amsterdam en Londen, waarin vele deskundigen aan het woord kwamen, ondersteunden Knips bevindingen. Tot op heden is er geen bewijs geleverd dat uit het afval dodelijke gassen zijn ontsnapt.

Uit het boekje van Vink blijkt dat het lastig is een eenmaal gevestigd frame bij te stellen. Daarop wijst ook het soms ronduit vijandige onthaal dat Knip kreeg van andere journalisten. Knip, een volhouder die ijskoud kan beweren dat anderen „het maar niet willen begrijpen”, werd weggezet als een nerd die het feestje kwam bederven.

Maar ook het frame dat Vink wil aanbrengen – dat de affaire puur een mediahype was – klopt niet. Trafigura werd door de rechtbank in Amsterdam veroordeeld wegens illegale uitvoer van chemisch afval en het achterhouden van informatie over de lading. Geen giframp betekent nog niet: geen milieuschandaal.

En Ivoorkust? Onder druk van de publiciteit trof het bedrijf een schikking met de regering, en later met 30.000 inwoners die hun gezondheidsklachten toeschreven aan het afval. Niet dat het schuld erkent aan een ramp, maar het bedrijf zegt zich verantwoordelijk te voelen voor de gang van zaken rond de dumping van het afval in Abidjan.

Volgens Bax blijkt uit correspondentie van Trafigura die is gepubliceerd in The Guardian dat het bedrijf wist dat het afval gevaar kon opleveren voor de volksgezondheid. „En daar ging het om: vanaf het begin was duidelijk dat het om chemisch afval ging.”

Wat leert de zaak nu over rampenjournalistiek?

Media moeten voorzichtig zijn met allianties met actiegroepen. Samenwerking zoals die tussen Greenpeace en de Volkskrant (met The Guardian, BBC, Noorse radio en Amnesty) kan informatie opleveren, maar ook leiden tot tunnelvisie. Nog los van vragen over journalistieke onafhankelijkheid.

Ook is het cruciaal om iemand voor langere tijd ter plekke te hebben. Pauline Bax, begaan met het lot van de inwoners, leverde informatie die wezenlijk was voor het onderzoek.

Essentieel is ook: de inbreng van een wetenschapsredactie. De meeste journalisten hebben geen verstand van scheikunde. Een krant moet er ook voor zorgen dat die inbreng serieus wordt genomen. Dat gebeurde bij NRC, al was het effect halfslachtig.

Ten slotte, meld de lezer open en consequent wat de krant zeker denkt te weten en wat niet, en vooral: waarom.

Sjoerd de Jong is ombudsman van NRC Handelsblad en nrc.next

    • Sjoerd de Jong