Veelzijdig en bevlogen non-conformist

De eind vorige week overleden Pierre Vinken was een multitalent en non-conformist. Hij gaf mede vorm aan het zakendoen na de jaren ’70: ondernemen is overnemen én afstoten ineen.

Philip de Witt Wijnen

Pierre Vinken, de vrijdag overleden voormalig bestuursvoorzitter van uitgeversbedrijf Elsevier, was een multitalent. Hij was medeoprichter van literair tijdschrift Tirade, publicist en boekauteur, neurochirurg, medeoprichter van het Republikeins Genootschap en ontving de Akademiepenning van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen voor zijn verdiensten voor de wetenschap. Als zakenman drukte hij zijn stempel op de internationale uitgeversmarkt en de verschuiving van de aandacht van topmanagers naar de waarde van de aandelen van de onderneming en het voortdurend streven naar het hoogste rendement op ondernemingsactiviteiten.

Met zijn uitlatingen en optreden verdeelde Vinken de samenleving in fervente aanhangers en opposanten. Voor de tweede categorie was hij de immer kille neurochirurg, die met het winststreven als zijn enige prioriteit „een diepe terugval” markeert ten opzichte van wat in ons land als algemene norm geldt voor het bedrijfsleven, zoals de toenmalige voorzitter van de raad van kerken, Bob Goudswaard, in een ingezonden brief schreef bij Vinkens vertrek bij Elsevier in 1995.

Voor zijn vrienden en bewonderaars was juist zijn heldere wijze van redeneren en concluderen een bron van inspiratie en plezier. Over Vinken publiceerde journalist, vriend en wetenschapper Paul Frentrop in 2007 een biografie getiteld Tegen het idealisme. Het voorwoord is van wijlen Martin van Amerongen (ex-hoofdredacteur De Groene Amsterdammer), het naschrift van wijlen Theo van Gogh, publicist en filmregisseur. Zij hadden hun bijdrage jaren voor de verschijning al geschreven. „Mijn biografie is ingeklemd tussen de grafzerken van twee vrienden”, zei Vinken in 2007 tegen Max Pam, ook een vriend, in een interview in de Volkskrant. Vinken hield van tegendraadse lieden buiten de zakelijke en politieke elites.

Wie hem met een enkel woord wil typeren tegenover zijn tijdgenoten en multinationalbouwers in het bedrijfsleven krijgt: de ‘patriarch’ (Anton Dreesmann), de ‘kruidenier’ (Ab Heijn), de ‘getapte’ (Freddy Heineken) en de ‘non-conformist’ (Vinken).

Hij was drie maal getrouwd, had vijf kinderen en meerdere relaties, onder meer met Annemarie Oster, die voor hem tekenaar Peter van Straaten in de steek liet. In Vinkens biografie staan verschillende tekeningen waarin de versmade Van Straaten Vinken wegzet door hem op te voeren als een vrekkig oud mannetje met een buikje.

Pierre Johan Jacques Gérard Vinken groeide op in Treebeek (Brunssum, Limburg), als zoon van een beambte van de mijnpolitie, ontvluchtte zijn geboortegrond zo snel mogelijk, schrapte twee van zijn vier voorletters (P.J.J.G. werd P.J.), brak een studie kunstgeschiedenis voortijdig af, en ging vervolgens geneeskunde studeren om militaire dienst in Nederlands-Indië te ontlopen.

Tussen 1971 en het eind van de twintigste eeuw bepaalde hij in twee opzichten het wezen van het Nederlandse bedrijfsleven. Via de medische databank Excerpta Medica kwam Vinken in de directie van uitgever Elsevier terecht. Exerpta Medica was een stichting, die zich niet gemakkelijk liet fuseren met de beursgenoteerde uitgever, maar Vinden lukte dat, mede dankzij 3,5 miljoen gulden voor elk van de vijf stichtingsbestuurders.

Vinken zag waarde van elektronische databanken en in de verkoop van wetenschappelijke informatie, die anderen niet zagen. Het was een even briljante, als onwaarschijnlijke, als winstgevende vorm van uitgeven. In een notendop werkte het zo: overheden betalen wetenschappers om onderzoek te doen, dat onderzoek publiceren zij in wetenschappelijke tijdschriften (bijvoorbeeld van Elsevier), die daarvoor astronomische abonnementsgelden vragen aan universiteiten en andere instituten waar die wetenschappers werken die door de overheid betaald worden. Dit is uitgeven met minimale kosten en maximale opbrengsten. De winstmarges van 35 à 40 procent positioneren deze bladen in de top van de uitgeefpiramide, die jaren na zijn popularisering ook wel de ‘Piramide van Vinken’ ging heten. Het denkraam van een hele generatie managers.

Vinken wilde zoveel mogelijk activiteiten bezitten in de top van de piramide. De onderste lagen, zoals de kranten (Algemeen Dagblad, NRC Handelsblad) werden ‘getolereerd’ zolang zij het geld verdienden waarmee de leningen werden gefinancierd om de hogere lagen van de piramide te kopen. Daarna werden zij verkocht. Op die manier gaf Vinken mede vorm aan het moderne zakendoen van na de jaren zeventig: ondernemen is overnemen en afstoten ineen. Op die manier werd Elsevier eerst Elsevier-NDU (na de fusie in 1979 met de Nederlandse Dagbladunie) en vervolgens, na de fusie met een Britse uitgever in 1993, Reed Elsevier.

De fusie met de Britten was geen succesnummer. Ruzies volgden. Begin 1999 vertrokken Vinken en zijn jarenlange bondgenoot in de Elseviertop, Loek van Vollenhoven, als president-commissaris respectievelijk commissaris van Reed Elsevier. Tegen Max Pam zei hij later: „Na mijn vertrek heb ik mij niet meer met Elsevier beziggehouden. Ik heb al mijn aandelen verkocht en heb zelfs nooit meer naar de beurskoers gekeken.”

Vinken was een bevlogen kostenverdelger en bedreven in het delegeren. Zoals zijn biograaf Frentrop optekent: „Hij had al een vierdaagse werkweek toen de vakbonden nog op het idee moesten komen.”

In 1987 probeerde Elsevier onder zijn leiding concurrent Kluwer te kopen, tegen de wil van de directie en de commissarissen van de uitgeverij die toen in Deventer was gevestigd. Een maandenlange strijd om de gunst van de aandeelhouder volgde, maar Elsevier verloor op het nippertje. Kluwer fuseerde met Wolters Samsom.

Het bleef een onbeantwoorde vraag waarom Elsevier had verloren. Was het de steun van de invloedrijke belegger Nationale-Nederlanden aan Wolters Samsom? Of wist Vinken met zijn mediastilte tijdens de overnamestrijd te weinig harten en beleggers te winnen, terwijl zijn tegenvoeters bij Kluwer en Wolters voortdurend de media bespeelden?

De gedurfde overnamepoging, die het financieel-zakelijke establishment verdeelde in vóór- en tegenstanders, was een waterscheiding voor het Nederlandse bedrijfsleven. Vinken verloor de strijd maar zijn duidelijke stellingname vóór zeggenschap van wettelijk machteloos gemaakte aandeelhouders, vóór aandeelhouderswaarde, vóór de prioriteit van de beurskoers en vóór winst boven omzet werden nadien gemeengoed.

Na zijn pensionering in 1995 bij Reed Elsevier trad Vinken nog maar weinig in de publiciteit. Voor een voormalige krantenmagnaat en publicist had hij daar een opmerkelijke hekel aan, dus hij zal de schijnwerper nooit hebben gemist. Niettemin verkreeg hij begin 1997 opnieuw landelijke bekendheid, toen uitlekte dat hij een van de drie oprichters bleek te zijn van het Republikeins Genootschap.

Vinken was initiatiefnemer en eerste voorzitter. Dit gezelschap van intellectuelen en zakenlieden streefde (op een geweldloze manier) naar het beëindigen van de constitutionele monarchie. „Een erfelijk koningschap bij de gratie Gods konden wij niet zien als behorend bij een parlementaire democratie”, schreven de drie oprichters (behalve Vinken waren dat oud-minister Amro-topman Roelof Nelissen en bankier en voormalig gouverneur van Limburg Sjeng Kremers) in een uitnodiging aan mogelijke sympathisanten.

Het aantal deelnemers groeide, maar enkele prominenten bedankten voor de eer. Onder hen schrijver Harry Mulisch en de latere DNB-president Nout Wellink. De laatste haakte na het oprichtingsdiner af met de volgende woorden: „In alle vriendschap moet ik zeggen dat er sprake is van een zodanige fletse oubolligheid, dat ik me in het gezelschap toch niet thuis zou voelen.”

    • Philip de Witt Wijnen
    • Menno Tamminga