Ouderwetse economie van Italië is met hervorming te redden

De schuldencrisis in Italië is makkelijker op te lossen dan die in Griekenland. Een geloofwaardig hervormingsplan voor de economie is al genoeg.

Marike Stellinga

Hij verkondigde afgelopen vrijdag nog zelfverzekerd dat de Italiaanse economie prima draait, want de restaurants zaten vol, net als de vliegtuigen en de hotels. „Dit is geen land in crisis.” De bravoure hielp niets. Sterker, Silvio Berlusconi verloor de afgelopen dagen meer en meer het vertrouwen van investeerders. Zij vluchten uit Italiaanse staatsobligaties en drijven de rente op tot onhoudbare niveaus.

Een neerwaartse spiraal dreigt. Als de rente hoog genoeg wordt, worden de schulden onbetaalbaar en gaat de Italiaanse staat vanzelf failliet. Het is nattevingerwerk bij welk renteniveau een land insolvabel of bankroet is. Voor Italië achten veel economen een rente hoger dan 6,5 procent niet houdbaar. Gisteren steeg de rente naar 6,63 procent. Dat is zo hoog, daar kan de Italiaanse overheid nauwelijks tegenop bezuinigen.

Het Italiaanse schuldprobleem bedreigt de eurozone. Griekenland viel nog te redden; dat is maar een kleine economie, zo’n 2 procent van de totale Europese economie. Maar de Italiaanse economie is de nummer 8 van de wereld, en de nummer 3 van de eurozone (15 procent van de zone). Daar kan de rest van Europa zich makkelijk aan vertillen.

De Italiaanse schulden zijn met 1.900 miljard euro zo groot dat het land veel moeilijker te redden valt door de andere landen in de Europese Unie (EU). Italië heeft de op een na hoogste schuldenlast van Europa. De schulden bedragen ongeveer 120 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Alleen Griekenland heeft hogere schulden, met zo’n 150 procent. Maar in euro’s uitgedrukt zijn de Griekse schulden veel kleiner: 350 miljard euro.

De eerdere reddingen van eurolanden die in zo’n neerwaartse schuldenspiraal terechtkwamen, werkten als volgt. De EU en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) namen voor jaren de leningen over van Griekenland, Portugal en Ierland. Daarmee schermde Europa deze landen af van de financiële markten. Zo stopte de neerwaartse spiraal, en werd een bankroet (voorlopig) voorkomen.

Om de Italiaanse regering van de markt af te schermen, is veel meer geld nodig. De Italiaanse regering moet alleen al dit en volgend jaar ongeveer 300 miljard euro aan schuld herfinancieren. Tot en met 2014 is het ongeveer 650 miljard, berekende de Amerikaanse zakenbank Goldman Sachs. Zoveel geld zit er nu niet in het Europese noodfonds. Mochten de andere eurolanden het geld al willen opbrengen om Italië te redden, dan zou dat hun eigen kredietwaardigheid kunnen bedreigen.

Over het land dat nu bekendstaat als ‘te groot om te redden’, maakten de financiële markten zich lang opvallend weinig zorgen. In het eerste jaar na het begin van de schuldencrisis in het voorjaar van 2010 waren het vooral Spanje, Ierland en Portugal die het vertrouwen van investeerders verloren. Dat was opmerkelijk, want Spanje heeft een veel lagere schuld dan Italië: ongeveer 60 procent van het bbp tegen 120 procent van het bbp. Maar de Spaanse economie was er veel slechter aan toe, vooral door een ingestorte huizenmarkt, een hoge schuldenlast bij bedrijven en burgers en hoge werkloosheid.

De Italiaanse economie stond er beter voor. De private sector heeft minder schulden, de werkloosheid is lager en de overheid heeft een relatief bescheiden begrotingstekort. Bovendien heeft Italië al sinds 1991 dit schuldniveau.

Italië is dan ook een perfect voorbeeld van wat er met een regering kan gebeuren die draalt met de noodzakelijke hervormingen en bezuinigingen.

De huidige zorgen zijn relatief makkelijk weg te nemen, denkt Bas Jacobs, hoogleraar economie aan de Erasmus Universiteit. „Als de regering een aantal structurele hervormingen aankondigt, dan daalt waarschijnlijk de rente en is het land niet meer insolvent. De maatregelen die Italië moet nemen, zijn lang niet zo draconisch als die Griekenland moet nemen.” Maar als de rente hoog blijft, zijn de problemen groot, zegt Jacobs. „Reken maar uit. Als de rente 1 procent stijgt bij een schuldniveau van 120 procent van het bbp, dan moet de regering 1,2 procent van het bbp extra bezuinigen of lasten verzwaren. Dat is fors.”

Het voornaamste probleem van de Italiaanse economie is dat die nu al een jaar of vijftien nauwelijks groeit: gemiddeld 0,75 procent per jaar.

Hoe dat komt? Het IMF en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling weten het wel, blijkt uit hun laatste rapporten over Italië.

Daaruit rijst een beeld op van Italië als een ouderwetse economie. Er zijn te veel regels die bestaande, grote bedrijven beschermen en toetreding van nieuwe bedrijven hinderen. De belastingdruk is te hoog. Het ontslagrecht te rigide. Daardoor vinden jongeren moeilijk een baan. De bevolking is te laag opgeleid. De lonen zijn te hoog in verhouding tot wat de arbeiders produceren. Te veel bedrijven zijn in handen van de overheid. Door al deze factoren kan de Italiaanse economie niet concurreren met andere Europese landen. Het Italiaanse aandeel in de wereldhandel is sinds de jaren negentig constant gedaald.

De economie schreeuwt dus om hervorming, niet in de eerste plaats om bezuinigingen. Dat is op zich mooi, want als de overheid nu hard zou gaan bezuinigen, is de kans groot dat de werkloosheid toeneemt en de economie nog minder groeit. De uitweg, zo zeggen economen in koor, is hervormen. Dat raakt de economie nu niet keihard en vergroot de kans op groei in de toekomst.

Berlusconi – of een kersverse premier – hoeven dus maar een overtuigend hervormingsplan te maken en het probleem is hoogstwaarschijnlijk opgelost. Tot die tijd wantrouwen de financiële markten Italië. Zeker als de regering de problemen die de markten zien, blijft wegwuiven.