Kwantumsprong om hokjesgeest te doorbreken

In voorbije eeuwen begreep men dat het voordelen biedt om over de grenzen te kijken. Zie de dichter Hendrik van Veldeke, de ontdekkers van het DNA en het ontstaan van de beurs in Brugge. Wij kunnen wel wat gebruiken van hun grenzeloosheid, betoogt Frits van Oostrom.

De eerste echte Nederlandse dichter was Hendrik van Veldeke. Het kan overigens heel goed zijn dat op ditzelfde moment, een paar honderd kilometer oostwaarts, iemand met hetzelfde aplomb verklaart: der erste wahrhaft deutsche Dichter war Heinrich von Veldeke. De plaats van deze dichter uit de late twaalfde eeuw ligt namelijk nog altijd gevoelig. Hij was een literaire pionier, voorzeker, maar van welke literatuur? De Duitse, in de taal waarvan de meeste van zijn werken overgeleverd zijn? Of van de Nederlandse, waar Veldeke alleen al door zijn sterke banden met Maastricht goed op zijn plaats is? Vooral in de negentiende eeuw liep deze strijd hoog op, toen in Europa natiestaten vorm kregen, zoals Nederland en Duitsland, die elk voor zich een zo eerbiedwaardig mogelijk patrimonium trachtten te claimen.

Wat Veldeke betreft, had Duitsland in het begin de sterkste papieren. Totdat in 1857 een handschrift van Veldekes dichterlijke heiligenleven van Sinte Servaes werd ontdekt dat in zuiver Middelnederlands was vervat. De vreugde onder filologen in het Nederlandse taalgebied liep hoog op over het buitenkansje om hier , zoals een van hen het uitdrukte „de hoogduitschers die zoo lang op ons smaelden, een aardig nypertjen op den neus te mogen stellen”.

Vandaag de dag proberen wij iets minder partizaans naar de vroegste literatuurgeschiedenis te kijken en daar is historisch alle reden toe. Veldeke zelf zou over het negentiende-eeuwse grensgeschil hogelijk verbaasd geweest zijn: twee naties die ruzieden over zijn erflaterschap en daarbij grenzen trokken die in de twaalfde eeuw nog in de verste verte niet bestonden.

Intussen was Veldeke in ander opzicht wel degelijk een schrijver in een grensgebied: de regio waar Germaans en Romaans interfereerden.

Veldeke schreef vloeiend in zowel Frans als Nederlands, en ook nog eens in het Latijn, wat hem bagage gaf voor reizen tussen drie cultuurmilieus. Bovendien was hij ook sociaal beweeglijk, en zowel thuis te midden van geestelijken en intellectuelen als een geregelde gast op ridderlijke burchten.

Hendrik van Veldeke was een echte grensganger, en precies uit dit verkeer tussen milieus is zijn vernieuwende werk geboren. Vandaag de dag zijn wij dan ook geneigd zijn grenspositie heel anders te waarderen: niet als een probleem voor later, maar als een kans voor toen, als voedingsbodem voor innovatie. Dus niet: aan de grens zit men bekneld – maar: aan de grens gebeurt het.

Dat het in de wetenschap juist dikwijls op de grens gebeurt, is langzamerhand overbekend. Het beroemdste voorbeeld daarvan kent u allemaal: de dubbele helix, de structuur van DNA, ontdekt in 1953 door Watson en Crick.

Watson was een bioloog, zoals men kon verwachten, maar Crick een fysicus en de inbreng uit diens discipline was juist cruciaal. Voordien was trouwens al vanuit de fysica richting gewezen: in 1943 had de Nobelprijswinnaar natuurkunde Erwin Schrödinger namelijk in Dublin een drietal colleges gegeven onder de titel What is life?

Hij benaderde de biologie als een fysicus, en beredeneerde dat een chromosoom de structuur moest hebben van a regular array of repeating units in which the individual units are not all the same – en dat deze eenheden samen een lang en uiterst stabiel molecuul zouden moeten vormen dat een soort code zou moeten bevatten, waarin kleine variaties voor grote verschillen zouden tekenen.

In 1943 zweefde dit kwantumfysische idee van een genetische code hoog over de mainstreambiologie heen – maar Crick en Watson lazen Schrödingers gebundelde colleges en werden aldus op het spoor gezet van hetgeen ze later in het laboratorium proefondervindelijk zouden bewijzen. Vandaag de dag vormen moleculaire biologie en life sciences met al hun uitlopers vermoedelijk het grootste wetenschapsgebied ter wereld – aan de basis ervan ligt het verkeer over de grenzen van twee wetenschappelijke disciplines, twee overzijden die elkaar niet bleven mijden, maar hun nabuurschap benutten.

Ik maak een kwantumsprong naar grensoverschrijding tussen sectoren. En meer speciaal de wisselwerking tussen twee sectoren die tot mijn leedwezen vandaag de dag nogal eens tegen elkaar worden uitgespeeld: cultuur en economie.

Het is eigenlijk gênant dat die in Nederland zo liefdeloos gescheiden zijn geraakt, terwijl datzelfde Nederland nu juist het schoolvoorbeeld in huis heeft van de vervlochtenheid van beide: onze eigen Gouden Eeuw. Die werd immers gekenmerkt door zowel grote welvaart als een hoogstaand cultuurleven. En alles wijst erop dat deze twee destijds niet los van elkaar stonden, maar intens verweven waren; denkers en doeners waren vergaand op elkaar betrokken. Oftewel: geen VOC-mentaliteit zonder Muiderkringmentaliteit.

Het boek waaraan ik werk, zal besluiten met een vergelijkbaar, maar nog ouder voorbeeld uit de Lage Landen: het Brugge van omstreeks 1400.

Dat was de omgeving waarin een van de meest unieke boeken uit de Nederlandse literatuur tot stand kwam: het zogenoemde Gruuthusehandschrift, met onder meer het fameuze Egidiuslied. De eerste regels:

Egidius, waer bestu bleven?

mi lanct na di, gheselle mijn;

Du coors die doot, du liets mi tleven.

De gedichten in Gruuthuse zijn in de wetenschap internationaal beroemd als creatieve, soms bijna experimentele poëzie, die aan tradities een ongekend innovatieve wending gaf. Het zinderde in Brugge omstreeks 1400 van artistieke scheppingsdrang – en het toeval, dat volgens mij dus allesbehalve toeval is, wil dat de stad in dezelfde periode economisch bruiste. Brugge was een havenstad waar schepen in- en uitvoeren uit de hele toenmalige bekende wereld.

Brugge bevatte een infrastructuur van internationale markten en handelskantoren: van Catalanen, Portugezen, Venetianen, Luccezen en kooplieden uit de Hanze, van Zwolle tot aan Novgorod, van waaruit men in Brugge scheepsladingen bont importeerde. Bij de handel hoorde ook een financiële dienstensector: wisselkantoren, bankiers (veelal Italianen), pandjeshuizen en – veel te weinig bekend – de eerste effectenbeurs ter wereld. Het woord zegt het intussen al: want de benaming beurs gaat terug op de herberg van de Brugse familie Van der Beurse, waar de effectenhandel begon. Het werd van daaruit een woord dat het Nederlands aan de wereld heeft geleend/geven: beurs, bourse, börse, boursa enzovoort – alleen koningin Elisabeth I van Engeland vond in de zestiende eeuw dat een zo cruciale Britse instelling van vreemde smetten vrij moest zijn en herdoopte de Londense ‘Burse’ in ‘Stock Exchange’.

Maar goed, op de Brugse beurs gingen omstreeks 1400 de wisselbrieven en aandelen van hand tot hand, inclusief een voor die vroege tijd al opmerkelijk stelsel van regulering en toezicht. Brugge was het grootste financiële centrum ten noorden van de Alpen. Samen met de in- en uitvoer van de ‘echte economie’ maakte het Brugge tot de meest kosmopolitische stad van de toenmalige Lage Landen.

In die bloei, net als in het Holland van de zeventiende eeuw, vermengden zich het commerciële en het culturele. Jan Moritoen, de dichter van het Gruuthuse-liedboek, was van afkomst nota bene een Schot, vermoedelijk een tweedegeneratieallochtoon en voldoende ingeburgerd om in het Nederlands sublieme poëzie te kunnen maken – en bovendien, blijkens een recente archiefvondst, deken van het bontwerkersgilde. Hij symboliseert daarmee hoe de sferen van het artistieke en het ondernemende destijds verweven waren – en, zo hoop ik in mijn boek te laten zien, elkaar bevruchtten. Niet alleen in oppervlakkige termen van mecenaat, maar veel fundamenteler. En dat is welbeschouwd ook niet verwonderlijk want beide sferen, die van commercie en cultuur, moeten het allebei hebben van een derde, hele grote c: de c van creativiteit.

Brugge anno 1400 is een historisch schoolvoorbeeld van wat Richard Florida noemt een creatieve stad, waar commercie en cultuur elkaar versterken. Een internationale, kosmopolitische omgeving die werkte als magneet en broeikas voor initiatief en innovatie. Geen toeval dat de meest open, diverse, internationale stad van de toenmalige Lage Landen ook de meest creatieve was. Economie en cultuur zijn broer en zus.

Voor innovatie is het dus bevorderlijk als er gemakkelijk over grenzen kan worden gegaan – en precies dat is nu niet het sterke punt van Nederland, hokjesland. Buitenlanders noemen het vaak zo, ikzelf heb het lang weggewuifd, maar langzamerhand geloof ik dat daar wel degelijk veel van aan is. Wij leven hier in een hoogwaardige polder, maar die is wel intens verkaveld.

Zelfs op het water weten wij er weg mee. De wonderschone Reeuwijkse Plassen zijn verdeeld over talloze eigenaren. In deze vertrouwde geest van splitsen en versnipperen kent Nederland, ik noem maar wat, liefst twaalf provincies, achttien landelijke politieke partijen, 35 christelijke kerkgenootschappen, 77 zendgemachtigden, 115 organisaties in de jeugdzorg, zeshonderd pensioenfondsen, 160.000 stichtingen en 270.000 verenigingen – allemaal instanties met hun eigen territorium.

Elke regio heeft zijn eigen vuilverbrandingsinstallatie; er is een kluwen van politiekorpsen; de eigenaar van het spoor is een ander dan de eigenaar van de treinen, en de beheerder van de zendmasten is niet dezelfde als de exploitant ervan.

Mijn eigen geliefde universitaire wereld kan er trouwens ook wat van, en biedt vwo’ers na hun eindexamen momenteel de keus uit 432 verschillende bacheloropleidingen – en na een paar jaar, als zo’n 30 procent van hen is afgevallen, uit 901 masters.

Al die hokjes koesteren hun eigen identiteit en het narcisme van de kleine verschillen viert dan al snel hoogtij. Dat zijn wij zo gewend, daar voelen wij ons comfortabel bij en pogingen tot grensoverschrijding worden niet aangemoedigd en worden al gauw een tikkeltje te wild gevonden.

De hokjesgeest speelt zelfs op het gebied waar Nederland open is als geen ander land op aarde: de seksuele moraal. Want waarmee blijkt de Nederlander, zo leerde ik van Paul Schnabel, bij enquêtes toch steeds weer moeite te hebben: biseksualiteit. Ik vind dat heel typerend. Men kan in het seksueel meest bevrijde land ter wereld homo zijn of hetero, allebei prima, maar breng ons niet in verwarring door allebei te willen zijn. Gelieve hier niet met twee paspoorten rond te lopen.

In dat opzicht is Nederland juist verre van een open land, maar een land dat zich vrij ongemakkelijk voelt bij dingen die geijkte indelingen doorkruisen, combineren of proberen te overstijgen.

Ook de canon van Nederland heeft ermee te maken gekregen. Ik denk te mogen zeggen dat deze zeer goed in de samenleving is geland, en ook het onderwijs heeft positief gereageerd, daar mogen we echt niet over klagen. Maar wel is die canon, zoals dat heet in het dieventaaltje van de didactiek, een ‘vakoverstijgend concept’ – en dat is dan weer lastig in een land dat juist zijn onderwijs zo minuscuul in vakjes en hokjes heeft ingeregeld. Want: bij welk schoolvak hoort die canon eigenlijk thuis?

Het vak geschiedenis is evident, maar de canon kent ook vensters die zicht geven op de Nederlandse taal en literatuur, op aardrijkskunde, maatschappijleer, economie, techniek en culturele en kunstzinnige vorming. Zolang het zich allemaal afspeelt op de basisschool – waarvoor de canon primair is ontwikkeld – gaat het nog wel goed, want daar staat meestal één meester of nog vaker twee juffen.

Maar bij het voortgezet onderwijs wordt het een crime/hinderpaal. Want ofschoon vakken buiten de school nauwelijks een realiteit zijn (vraagt u het zich ooit af: is dit nu aardrijkskunde of geschiedenis), dicteren ze binnen de school al het denken en doen. De implicatie dat docenten hier over sectiegrenzen heen moeten kijken, hangt aan de canon als een loden bal.

Typerend was ook de uitkomst van de enquête die het overigens voortreffelijke Historisch Nieuwsblad onder zijn abonnees over de canon organiseerde: de canon kwam goed uit deze consumententest – alleen moest Annie Schmidt eruit. Ironisch genoeg, want als nu iemand die hokjesgeest op de hak heeft genomen, dan was het Annie M.G. Schmidt wel.

Maar hoeveel miljoenen Nederlanders ook van Annie mogen hebben genoten, historici zetten haar uit de canon, want ze was nu eenmaal geen vorst of vlootvoogd of voorman van een partij. En dus hoort zij niet thuis in het hokje ‘geschiedenis’.

Ik denk oprecht dat dit soort pleinvrees en angst voor grensoverschrijding Nederland parten speelt bij innovatie. Wat dat betreft heeft ontegenzeggelijk Amerika met zijn frontier-mentaliteit een opener klimaat. Zo wild als daar hoeven wij het misschien niet te maken, we blijven nu eenmaal Nederland – maar misschien zou het al helpen als we het fierljeppen niet alleen maar in het hokje ‘Friesland’ zouden cultiveren.

Deze avond vindt plaats in de meest on-Nederlandse zaal van Nederland. Die kwalificatie vereist toelichting, die ik begin met in herinnering te roepen dat het in 1861 slechts één stem in ons parlement had gescheeld of dit gebouw was compleet afgebroken. (Kamerleden klommen persoonlijk op het dak om zich van de hemeltergende staat daarvan te vergewissen).

En het was nog wel zo glorieus begonnen in de dertiende eeuw, toen de Hollandse graaf Floris V en zijn vader, rooms koning Willem II, dit paleis lieten bouwen, volgens een volstrekt on-Nederlands ontwerp. Dat blijkt ten eerste uit het vooraanzicht met de twee torens aan weerszijde en dan deze enorme zaal, die men meteen bij binnenkomst betrad en die oorspronkelijk op de kelders na het hele gebouw besloeg. Een Koninklijke aula, een gebouw met majesteitelijke allure. Het was een enorm ambitieus ontwerp, waarvoor men gretig over grenzen had gekeken. Meer speciaal naar Engeland, waar zo’n great hall kenmerk was van majesteit, en die men hier meteen in afmetingen naar de kroon stak, met ruimtelijke verhoudingen op unieke schaal, 38 bij 18 meter en bijna 30 meter hoog.

Dat deze zaal zo’n groots gevoel gaf en nog steeds geeft, is vooral te danken aan een tweede unieke innovatie die de Hollandse graven toen aandurfden, de kapconstructie, met zijn machtige gebinten die het hele dak dragen, een geheel open kap met zeven geweldige spantbogen die zonder steunberen, dwarsbalken, trekstangen, beugels, ankers of wat dan ook omhoog reikt – alleen al eikenbomen daarvoor vinden en bewerken is een project op zich geweest en stel u eens voor dat deze gevaarten 750 jaar geleden ook nog moesten worden opgehesen en gesteld.

Ook voor die kap keken de Hollandse graven over de grenzen, naar het meesterlijke timmerwerk van cisterciënzer monniken in Vlaanderen, hier nog gedurfder uitgevoerd.

Aldus brachten de Hollandse graven in de dertiende eeuw bij de bouw van deze ridderzaal een beginsel in praktijk dat zij in theorie niet kenden, en dat ik onlangs tegenkwam als de formule waarmee Amerikaanse universiteiten studenten trainen in innoveren: don’t invent – connect.

Er zit veel waars in dit advies, lijkt me – veel uitvindingen zijn immers inderdaad letterlijk vindingen: iets wat elders bestaat en bloeit, enten op een nieuwe stam. Dit vereist dat men nieuwsgierig en creatief rondkijkt, en dus: over de grenzen. De grens moet je niet zien als plaats van het geschil, maar van ontmoeting.

Frits van Oostrom is historisch letterkundige. Dit is een ingekorte versie van de lezing die hij gisteravond hield in de Ridderzaal, op de Avond van Wetenschap & Maatschappij.