Kwade sappen

Vredig nestelde ik me op de bruinleren bank in de Coffee Company op de hoek van de Oude Doelenstraat en de Oudezijds Voorburgwal in hartje Amsterdam. De hoge ramen boden een boeiend uitzicht op de mensheid die daar een groot deel van de dag ongegeneerd voorbij stroomde. Toeristen, junks, dealers, pooiers en af en toe een gewone Amsterdammer – wat dat ook precies moge zijn. Schuin tegenover lag coffeeshop Extase, voor een heel ander koffiegenot.

Het is bij de Coffee Company de bedoeling dat je de bestelde consumpties zelf van het buffet meeneemt, maar mijn ‘cappuccino medium’ was zo hoog gestegen dat de serveerster bezorgd aanbood hem zelf te brengen. Graag. Mijn versnapering, een ‘shortcake raspberry’, nam ik vast mee. De naam bleek smakelijker dan de droge cake, maar wat gaf het? Je kwam hier niet alleen om te eten en te drinken. Juist toen ik me wilde overgeven aan het spektakel op straat, hoorde ik een vrouw naast me zeggen: „Mijn moeder had weer zoveel last van maagzuur, het was erger dan ooit. Alles kwam boven, met het nodige slijm erbij.”

Ik was halverwege mijn shortcake en besloot de rest nog even op het schoteltje te laten rusten. Mijn vorkje hield ik overeind, alsof ik daarmee de kwade sappen van de moeder kon stremmen. Ik keek opzij. De vrouw was een niet onknappe verschijning met een nogal hard gezicht die tegen de veertig liep. Ze zat een meter van mij vandaan op dezelfde bank, het gezicht naar een wat oudere man naast haar gekeerd. Hij droeg een grijs mutsje en sprak traag Nederlands met een buitenlands accent.

„Wat heb je eraan gedaan?’’ vroeg hij.

„Ja jezus, wat kun je eraan doen’’, zei ze, „dit speelt al zolang, dat weet je toch. Ze liep al maanden geleden te spugen. Ze is bij een specialist, maar ze wil zich niet écht laten behandelen. Ze is als de dood voor inwendig onderzoek.’’

„Kun je haar dan niet overhalen?’’

„Dat probeer ik de hele dag, maar ze wil niet. Eigenlijk zou ze weer terugmoeten naar haar huisarts.’’ Ze zei het zeer geërgerd, op de toon van een ouder die haar kind voor de zoveelste keer iets moet uitleggen. Op zijn vriendelijke gezicht lag een geduldige uitdrukking. Hij had als haar vriend dergelijke gesprekken vermoedelijk al veel vaker gevoerd en was tot de overtuiging gekomen dat een milde vastberadenheid het beste wapen tegen haar was. „Je moet het wel blijven proberen’’, zei hij, „het is je moeder.’’

Ze schudde kwaad haar hoofd. „Hou toch op!’’ Haar Amsterdamse accent klonk bij elke zin venijniger. „Ik kan haar toch niet telkens naar de specialist slepen?’’

„Je moet initiatief nemen’’, zei hij, „ga nog eens met de huisarts praten.’’

„Nou nog mooier! Je doet alsof ik op mijn kont blijf zitten, alsof ik mijn eigen moeder laat verrekken. Wil je dat soms beweren?’’

Ik nam voorzichtig een hapje van mijn cake. Wat was raspberry ook weer? Kruisbessen of frambozen? Thuis even opzoeken. „Elke keer dat mijn moeder d’r huis onderkotst, bel ik de huisarts’’, zei de vrouw, „maar die kan ook niks meer voor haar doen.’’

„Toch blijven doen’’, zei de man laconiek.

„Barst.’’ De vrouw stond op, trok haar jas aan en liep de zaak uit. Hij keek haar niet eens verbouwereerd na, eerder berustend. Hij stond ook op en groette mij met een knikje en een zachtmoedige blik. Zag ik een begin van verstandhouding? Toen zette hij de achtervolging in. Laat haar gaan, had ik willen roepen.

    • Frits Abrahams