Ik heb wel wat littekens op mijn lijf

Ludvig Löfgren (39) is één van de jongste ontwerpers van het Zweedse designmerk Kosta Boda. In Stockholm wordt hij op straat herkend.

Deze maand exposeert hij op Ameland.

DoorRolinde Hoorntje

Uit Småland komen niet alleen doe-het-zelf meubelen van spaanplaat. In de regio waar Ikea werd opgericht groeide ook Ludvig Löfgren (39), één van de jongste ontwerpers van het Zweedse designmerk Kosta Boda, op. Negentien was hij toen hij, bij wijze van tussenjaar, ging leren glasblazen. Het liet hem nooit meer los.

Nadat hij de kunstacademie in Stockholm had afgerond, groeide hij uit tot een van de weinige glaskunstenaars van internationale faam. Zijn ontwerpen variëren van een getatoeëerde vaas tot een champagnekoeler vermomd als olifantspoot. Dit jaar exposeert hij ook voor het eerst in Australië en Shanghai. En deze maand exposeert de Zweed met andere kunstenaars op Ameland.

Glas, hoe kom je daarbij?

„Ik groeide op in Småland, de Zweedse regio waar glaskunst vandaan komt [in Zweden ook wel Kingdom of Crystal genoemd, red.]. Veel mensen in mijn directe omgeving werkten met glas. Toen ik klein was, gingen we soms naar een glasfabriek in de buurt. Ik herinner me dat vreemd gloeiende materiaal nog goed. Het had iets magisch. Van de buitenkant leek het zo eenvoudig, maar dat is glasblazen helemaal niet.”

Hoe kwam je daarachter?

„Ik begon met een voorbereidende opleiding op de kunstacademie toen ik zestien was. Geen vreemde keuze in ons gezin. Mijn moeder ontwerpt textiel, mijn vader is industrieel ontwerper en mijn oudere broer werd architect. Op mijn negentiende ging ik naar de Riksglasskolan, de Rijksglasschool, in Orrefors. Ik wilde het gewoon uitproberen. De school is heel praktisch, daar leerde ik het vak. Eerst wilde ik het maar een jaar doen, maar ik werd geraakt door het materiaal.”

Waarom?

„Het voelt een beetje als honing. Met klei kun je altijd opnieuw beginnen. Glas moet in één keer goed gaan. Daarom raak ik nooit verveeld, het blijft altijd improviseren. Je kunt het natuurlijk niet direct aanraken, glas verwarm je eerst tot 1300 graden. Je hebt instrumenten of natte kranten nodig om het te bewerken.”

Een natte krant?

„Je vouwt een krant en die maak je vochtig. Als je het glas nadert, dan verdampt het water tot stoom. Daardoor raakt het glas de krant nooit helemaal. De stoom vormt het glas.”

Breken er wel eens dingen?

„Natuurlijk. Hoe groter of gecompliceerder de dingen worden, des te vaker dat gebeurt. Een klein onderdeel koelt af en breekt. Of de hoeveelheid glas op de pijp wordt te zwaar, dan breekt de pijp zelf. Dat moet je gewoon slikken. De laatste keer dat ik probeerde mijn persoonlijk record te breken, blies ik een leeuw van anderhalve meter. Hij brak.”

En jijzelf?

„Ik heb wel wat littekens op mijn lichaam. Je brandt jezelf, dat wil zeggen je verkeert steeds op de grens van bijna verbranden. Je moet leren je pijngrens te verhogen. Meestal werk je met vier, vijf mensen, dus dan is het belangrijk dat iedereen op dezelfde manier de materialen terugzet. Glas deukt in als je het per ongeluk raakt, maar heet metaal blijft aan je vingers kleven.”

Heb je een favoriet object?

„De olifantspoot, die is ongeveer een halve meter hoog. Ik wilde het gevoel van tegenstelling vangen in een beeld. Een olifant is zo groot en log en glas zo breekbaar en dun. Hij is wel hol, dus je kunt hem gebruiken als champagnekoeler. Vroeger gebruikten mensen olifantenpoten om hun paraplu’s in te zetten, maar hiervoor hoef je geen olifanten dood te maken. Ik houd van werken met dieren. Mijn konijnen bijvoorbeeld, daarvan zijn er ook twee op Ameland. Eentje is een beetje verlegen. Maar je kan spelen met de lengte van het lichaam en de lengte van de oren. Als je het lichaam wat langer maakt, dan wordt het een nieuwsgierig konijn.”

En de kleuren?

„Die krijg ik erin door poeder toe te voegen aan ongekleurd glas. Als je roert, krijg je het gemarmerd effect. Of ik verhit glas dat al gekleurd is, dan zet ik verschillende stukken op elkaar. Soms beschilder ik ook glas.”

Maak je alles zelf?

„De kunststukken maak ik zelf. Sommige objecten zijn meer huis-tuin-en-keukenprojecten zoals de Tattoo schaal of de handgeblazen wijnglazen die ik voor Kosta Boda maak.”

Hoe blijf je geïnspireerd?

„Ik kijk graag naar oude objecten. De schedels die ik bijvoorbeeld maak, refereren aan de oude Hollandse meesters uit de zeventiende eeuw. Net als mijn laatste werk: grote vazen en kandelaren, glas gecombineerd met metaal. Het is een beetje gothic, in de stijl van de Addams Family. Ik ben dol op die serie, vooral op The Thing.

Veel van mijn kunstwerken zijn een combinatie van het verleden en het heden. De beschilderde urnen die ik maak bijvoorbeeld, zijn heel klassiek qua vorm. Maar het motief dat ik erop heb geschilderd, is een stel vechtende robots, naar de film Fighting Robots. Ik luister ook altijd naar muziek in de studio. De laatste tijd veel naar de Zweedse band Graveyard, een beetje een seventies hardrock geluid.”

Kan je in Zweden nog over straat?

Er is verschil tussen werken met glas en het leven van een rockster. In Småland en Stockholm word ik wel herkend.”

    • Rolinde Hoorntje