‘Ik ben nog steeds bang in het donker’

Joe Frazier in 1973. Foto AFP

De gisteren overleden bokser Joe Frazier gold mede door zijn legendarische gevechten tegen Muhammad Ali als een van de beste boksers aller tijden. Ward op den Brouw van NRC Handelsblad had een van de laatste interviews met hem. In Philadelphia, bij Frazier thuis, op 8 maart 2010 – op de dag af 39 jaar na zijn eerste gevecht tegen Ali.

“Who let the dogs out”, is het eerste wat Joe Frazier zegt – zijn manier van begroeten. Wie heeft jou losgelaten, vrij vertaald. Het is ook de titel van een cover die hij op zijn repertoire had als R&B-zanger, met zijn band The Knockouts. Brede glimlach, twinkeling in z’n ogen. Krachtige handdruk. Stoere ringen, om zijn nek een gouden ketting. ‘Smoke’ staat op het medaillon op zijn imposante borstkas. Met ‘Mister Frazier’ wenst de vroegere wereldkampioen in het zwaargewicht niet aangesproken te worden. “Call me Smoke.”

Smokin’ Joe dankt zijn bijnaam aan de gretigheid waarmee hij in de ring opstoomde naar zijn tegenstanders. Zoals die achtste maart 1971 in New York, toen hij Muhammad Ali in hun eerste van drie gevechten in New York in de vijftiende en laatste ronde tegen het canvas sloeg en op punten won. Boven de bank hangt een zwart-witfoto van het mooiste moment uit zijn carrière.

Frazier loopt een beetje krom als hij zijn woonkamer binnenkomt, op de twintigste verdieping van een appartementencomplex in Philadelphia. Licht voorovergebogen, zoals vroeger in de ring. Als gevolg van een auto-ongeluk bijna tien jaar geleden beweegt de 66-jarige bokslegende zich voort als een oude man. Soms in een rolstoel, meestal met een wandelstok. Bij de voordeur staan acht exemplaren, onder een kapstok met een bruine cowboyhoed.

Frazier neemt plaats aan een ronde tafel. Zijn vriendin Denise zet flesjes water en frisdrank neer, en grote kristallen glazen. Leslie R. Wolff, Fraziers manager, is net vertrokken naar zijn kantoor, om de laatste voorbereidingen te treffen voor de reis die ze een dag later naar Australië zullen maken.

Frazier is nerveus. “Dertien uur vliegen. Whoo. Ik moet er niet aan denken wat er allemaal kan gebeuren. Bid maar voor de piloot.”

En bent u nog steeds bang in het donker?
“Absoluut. Ik houd al van kinds af aan niet van de duisternis. Maar tegenwoordig is het bijna nergens donker meer, zeker niet in Philadelphia.” Pikdonker was het wel toen hij in het donker als kind in Beaufort (“Bjoew-furt”), South-Carolina, naar buiten moest om naar de wc te gaan, of als hij van zijn moeder water of hout moest halen. Met zuidelijke tongval doet Frazier zijn moeder na: “You better get out there boy.”

Angst voor tegenstanders kende Frazier niet. Zijn rivaliteit met Ali behoorde tot de heftigste in de sporthistorie. De verbaal oppermachtige Ali kleineerde Frazier onophoudelijk. Frazier had daar geen antwoord op, behalve die ene keer in Madison Square Garden, het sportpaleis in New York. Tweeënhalf miljoen dollar verdienden ze ieder met dat gevecht. “Ik ben God”, zei Ali in de ring tegen Frazier. “Dan is God vanavond op de verkeerde plaats”, antwoordde Frazier. Hij bezorgde de man die dacht dat hij God was zijn eerste nederlaag als profbokser.

The Other, zoals de taaiste tegenstander van Ali werd genoemd, geniet extra belangstelling sinds eind 2008 een documentaire over hem verscheen, Thriller in Manilla; over het epische derde en laatste gevecht tussen Ali en Frazier, op 30 oktober 1975 in de Filippijnse hoofdstad, de ‘Thrilla in Manilla’. Fraziers frustratie en woede over de manier waarop The Greatest hem heeft behandeld, zijn in de documentaire bijna tastbaar.

Wat stoorde u het meest aan Ali?
“Dat hij zich niet alleen The Greatest noemde, maar Thee Greatest. Er is maar één thee.’’ Frazier wijst en kijkt naar het plafond.”„Thee is the Lord up there.”

Na zijn overwinning op Ali in 1971 verloor Frazier drie jaar later hun tweede gevecht. En in 1975 verliet hij de Filippijnen als verliezer nadat zijn trainer na de veertiende en voorlaatste ronde had aangegeven dat het genoeg was geweest. Na die strijd op leven en dood bleef het 2-1 voor de twee jaar oudere Ali.

In 1972 verscheen zijn autobiografie: Come out smokin’ (Joe Frazier, the champ nobody knew). Stel hem een vraag over dit werk en hij begint meteen over Ali. “Ik heb hem geholpen toen hij aan de grond zat, tot aan de president van de Verenigde Staten. Ik zei tegen president Nixon dat hij hem een licentie moest geven.” Ali was zijn bokslicentie in 1967 kwijtgeraakt en zijn wereldtitel in het zwaargewicht was hem ontnomen omdat hij militaire dienst weigerde.

“Nixon zei tegen me, ‘Oké Joe, je wilt hem, maar denk je dat je hem ook aankan?’ Ik zei dat ik hem in m’n achterzak had. ‘Geef hem een licentie en ik doe de rest.’ En toen hij zijn licentie terughad, heb ik hem een pak slaag gegeven. Het kon me niet schelen hoe snel hij was. Hij kwam niet aan vechten toe. Want ik zat voortdurend in zijn neusgat. Als hij ademde, dan ademde hij op mij.”

Maar in de twee gevechten die daar op volgden versloeg hij u.
Frazier schudt zijn hoofd. “In de tweede partij hield hij zich voortdurend aan me vast en verloor ik op punten, en tijdens het derde gevecht had ik last van m’n ogen. Al in 1964 begon ik langzaam blind te worden, nadat ik tijdens een training een keer was geraakt door de speedbag. Daar zat een stalen boutje aan en dat kreeg ik tegen m’n oog. Dat was het begin van staar, aan beide ogen, nog voor de Spelen in Tokio (in 1964, waar hij olympisch kampioen werd). Mijn linkeroog was er het slechtst aan toe.”

En u fopte met succes de keuringsartsen voor bokswedstrijden.
“Als mijn ogen getest werden en ik steeds één hand voor een oog moest doen, keek ik tweemaal met mijn goede rechteroog in plaats van één keer met rechts en één keer met links. Ik deed eerst de ene hand voor mijn slechte oog, daarna de andere. Voor titelgevechten stelde die medische keuring, midden in de ring, weinig voor. Ze moesten vooral extra publiciteit voor het gevecht opleveren.”

Horen doet Frazier ook niet goed. En zoals zoveel boksers liep hij hersenbeschadiging op. Alleen al tegen Ali bokste hij 41 ronden van drie minuten; in totaal twee uur. Zijn landgenoot George Foreman onttroonde hem in 1973 op Jamaica met mokerslagen. Frazier heeft zijn beperkingen, vooral sinds een auto-ongeluk bij de boksschool die hij tot twee jaar geleden runde in het noorden van Philadelphia en die nu te koop staat, Joe Frazier’s Gym.

“Ik heb problemen gehad met m’n rug, m’n armen, en in m’n nek heb ik nog een flink litteken van een operatie. Dat loopt naar beneden, tot aan m’n boemboem.” Weer die knipoog.

Fraziers vernietigende ‘linkse hoek’ was een erfenis uit zijn jeugd. Op zijn achtste, als de jongste van twaalf kinderen, werd hij achternagezeten door een varken dat hij had gepest, hij viel en kwam met zijn linkerarm op een steen terecht. “Sinds die dag kan ik mijn linkerarm niet meer volledig strekken, en staat-ie in een hoek.”

Met links sloeg u het hardst. Was u ook linkshandig?
“Nee. Het enige wat ik met links deed, was vechten: ik sloeg nou eenmaal harder met links dan met rechts, en sneller dan jij 1-2-3 achter elkaar kunt zeggen. Ik eet met rechts, ik schrijf met rechts, ik geef een hand met rechts. Mijn vader had geen keus; die moest alles wel met links doen. De bijl vasthouden, de hamer. Hij sloeg, ik hield de spijkers vast. Boem. Zo ging het ook als er hout gehakt moest worden. Ik vertrouwde m’n vader.”

In die jaren was ‘Billy boy’ vaak op pad met zijn vader, Rubin, die als gevolg van een schietincident in het primitieve uitgaansleven in de jaren veertig zijn rechteronderarm miste. Van dichtbij maakte Frazier mee hoe zijn vader vreemdging, zoals tijdens het afleveren van illegaal gestookte whisky.

U werd ook ingeschakeld bij de productie van de sterke drank ‘moonshine’.
“De rook die bij het distilleren vrijkwam, moest ik wegwapperen met een stuk karton, om te voorkomen dat we gesnapt werden. My dad was a wild guy, a good guy. Hij vertelde me ooit dat hij 26 kinderen had. Die van andere vrouwen kwamen bij ons over de vloer, en m’n moeder behandelde ze als haar eigen kinderen. Al mijn broers en zusters overleden, op één zus na. We zijn nog maar met z’n tweeën, m’n oudste zus Martha, die ook in Philadelphia woont, en ik. M’n broer Tommy was de laatste die overleed. A hell of a loss.”

Eind jaren vijftig trok u bij uw broer Tommy en zijn echtgenote in, in New York. U was vijftien. Was dat niet erg jong om weg te gaan?
“Ik was al snel het huis uit, maar ik was het leven in het zuiden zat. Ik groeide op met haat, hypocrisie en racisme. Het viel er niet mee voor een zwarte jongen, you know what I mean? In de ‘five and dime store’ had je twee soorten kraanwater: gekleurd water en wit water. Ik probeerde een blank vriendje ervan te overtuigen dat er echt geen bacteriën in het gekleurde water zaten, maar hij durfde het toch niet te drinken. ‘I ain’t gonna taste that damned water.’ Terwijl het uit dezelfde leiding kwam.”

Op zijn veertiende sloeg hij een vier jaar oudere jongen tegen de grond die hem ‘nigger’ noemde.

Dat was lang nadat uw oom Israël had voorspeld dat u wegens uw forse postuur wel eens een nieuwe Joe Louis zou kunnen worden, uw grote boksheld uit de jaren dertig.
“Een dag nadat m’n oom dat had gezegd, heb ik m’n eigen bokszak gemaakt. Een linnen zak met lappen, maïskolven, Spaans mos dat overal aan de bomen groeide, en een paar bakstenen in het midden, en hing die aan een eik achter ons huis; sloeg ik elke avond tegen. Als bescherming had ik kousen van m’n moeder om m’n handen gewikkeld, en sokken.”

Frazier begon pas serieus met boksen nadat hij was verhuisd van New York naar Philadelphia, omdat hij zichzelf te dik vond. Elke dag om vier uur op – “dat doe ik nog steeds” – en hardlopen, voordat hij naar zijn werk ging, begin jaren zestig in een slachterij waar hij stotencombinaties oefende op hangend dood vlees. Hij rende door Fairmount Park en beklom de 72 treden voor het Philadelphia Museum of Art, jaren voordat Sylvester Stallone er zijn trappenscène voor Rocky opnam, de film uit 1976 met een bijrolletje voor Frazier. De Rocky Steps zijn een toeristische trekpleister. Nog elke dag rennen mensen er omhoog, zoals Rocky Balboa dat deed. Niet Frazier heeft een standbeeld in Philadelphia, maar de bokser die een verzinsel was, Rocky, op een steenworp afstand van de befaamde trappen. Frazier moet het doen met een 22 centimeter hoge miniatuur van porselein, onlangs nog voor 55 euro verkrijgbaar op Marktplaats.nl.

Doet het u pijn om niet de erkenning te krijgen die u verdient?
“Ik kan me daar niet meer druk om maken. Al zou ik het in de ring graag nog een keer opnemen tegen Stallone. Anderen, zoals m’n dochter en m’n zwarte broeders, hebben me meer pijn gedaan. Mensen die misbruik hebben gemaakt van mijn vertrouwen. Ik leg het in de handen van de Heer.”

Hij vraagt me ‘love’ te spellen.
“L.O.V.E?”
“Fout: M.O.N.E.Y.”

Meer dan eens werd Frazier opgelicht, naar eigen zeggen ook door dochter Jacqui, een van zijn elf kinderen. Ook zij bokste, tegen onder anderen Ali’s dochter Laila. Ali-Frazier IV werd dat gevecht genoemd. Ali won. Jacqui werd getraind door haar vader en als juriste behartigde ze zijn belangen.

“Maar dat was nog voordat ik wist dat ze een serpent was, een schurk. Door haar ben ik m’n landgoed buiten Philadelphia kwijtgeraakt en heb ik twee jaar geleden de boksschool gesloten. Zij wilde daar de dienst gaan uitmaken. En toen heeft daddy een stap terug gedaan. Ze was gemeen en slecht.”

Zijn dochter overtrad een regel uit Fraziers ‘tien power punches voor het leven’: gehoorzaam altijd je ouders. “Ik heb mijn kinderen altijd het beste gegeven.” Zijn gouden olympische medaille liet hij in elf stukken snijden: voor ieder kind één. Ook Jacqui kreeg een stukje, lang voordat Frazier het contact met haar verbrak.

“De Heer zegt, ‘wees kalm, ik lever die strijd wel voor jou’. Je hebt gezien wat er met haar zoon gebeurd is.” Vorig jaar werd Jacquis 25-jarige stiefzoon Peter doodgeschoten. Fraziers boodschap is duidelijk: God straft onmiddellijk. Peter was een van zijn “ongeveer 35” kleinkinderen. “Het is moeilijk om de tel bij te houden”, zegt Frazier, die al op zijn zestiende vader werd.

Ook zijn twee oudste zoons, Marvis en Hector, stonden in de ring. Marvis, de oudste, sloeg een miljoen dollar bij elkaar. “Hij is nu dominee, hier in Philadelphia. Hij wil de wereld verbeteren, maar dat kan natuurlijk niet. Een goeie, eerlijke jongen.”

Hector hield het als bokser niet zo lang vol. Hij ging al snel het verkeerde pad op.
“Die zit nu in de clink. Je weet wat dat betekent? Hij komt bijna vrij. Ik heb hem één keer opgezocht, ergens in New Jersey. Nou ben ik ook niet bepaald een engel geweest. Vooral in New York stal ik met mijn jeugdvriend Abe vaak kleine dingen zoals banden en wieldoppen. Af en toe een auto. Oude auto’s, die te lang op dezelfde plek stonden. Wij brachten ze gewoon naar een andere plek. Maar geweld heb ik nooit gebruikt. Dat bewaarde ik voor in de ring.”

Zijn oudste kinderen waren er getuige van hoe hun vader jarenlang door Ali werd beschimpt en gekleineerd. Ali viel Frazier onder meer aan op uiterlijk en intelligentie. ‘Freezjuh’ was volgens hem te lelijk en te dom om een kampioen te zijn. Fraziers kinderen kwamen huilend van school thuis omdat ze werden gepest. Marvis was er in 1975 als vijftienjarige bij toen Ali in Manila, voor zijn laatste gevecht tegen Frazier, een rubberen gorilla tevoorschijn haalde. Ali gaf de gorilla klappen en blafte dat Fraziers gezicht zo lelijk was dat het geschonken zou moeten worden aan de Natuurbescherming. Waarop Frazier zei dat hij Ali niet knock-out wilde slaan, maar vijftien ronden wilde laten lijden. En lijden deed Ali in dat gevecht. Net als Frazier. “Hij wilde me levend begraven.” Ze hadden elkaar murw gebeukt toen Fraziers trainer Eddie Futch het na de veertiende ronde genoeg vond.

Was u niet boos over die beslissing? Temeer omdat later werd gezegd dat Ali ermee had willen stoppen.
“Het was een goed gevecht, een hard gevecht. Eddie nam die beslissing. Je trainer heeft altijd het laatste woord. Als je in de problemen komt, als je bloedt, kneuzingen hebt of bijna niks meer kan zien omdat je opgezwollen ogen hebt, zoals in Manila, dan is hij de man die beslist of je doorgaat. En hij stopte dat gevecht. Ik was toch al bijna blind aan mijn linkeroog, en mijn rechteroog ging steeds meer dicht zitten, waardoor ik Ali in die laatste ronden slechts in een waas kon zien.”

Wanneer heeft u Ali voor het laatst ontmoet?
“Kan ik me niet herinneren. Ik weet wel dat ze altijd hun best deden om me uit zijn buurt te houden als we op dezelfde bijeenkomsten waren. Waarom weet ik niet. Ik ga echt niet met hem vechten, tenzij hij op mij springt. Hij zegt dat hij mij om vergeving heeft gevraagd voor de manier waarop hij over mij heeft gesproken. Ik geloof niet dat hij dat meende. Maar goed, hij heeft het wel gezegd. In zijn boksjaren was hij zichzelf niet. Het was één grote act. ‘I’m the greatest, I’m the prettiest.’ Hij riep maar wat, het was aandachttrekkerij, om op te vallen. En dat had hij helemaal niet nodig.”

Hebt u Ali vergeven?
“Sommige dingen. Eigenlijk kan ik hem niet vergeven. Over die macht beschik ik niet. Je kunt de Heer vragen om hem te vergeven, maar wij kunnen dat niet.”

In de jaren negentig zei Frazier dat God Ali met de ziekte van Parkinson het zwijgen had opgelegd. En dat hij Ali in 1996 in Atlanta in het olympische vuur had willen duwen dat Ali op de Spelen zelf ontstoken had. Hij haatte Ali en iedereen mocht het weten. Nu steekt Frazier een hand uit. Hij begint over de islam, de religie van Ali, en noemt Bin Laden in één adem.

“Ik weet niet waar Bin op uit is, wat ie doet en waarom. Maar we zullen er met z’n allen uit moeten komen, om de tafel gaan zitten en de problemen oplossen.”

Dat zou u ook met Ali willen doen?
Sure, I don’t mind. Maar ik denk niet dat hij daartoe in staat is, door zijn fysieke beperkingen.”

Tot drie keer toe zegt Frazier dat hij Ali nog wel eens wil zien. “En hem laten weten dat hij gezegend is. Dat God ervoor heeft gezorgd dat hij zo lang leeft. Want een heleboel jongens uit ‘the game’ zijn jong gestorven. Ik heb een goed leven gehad en ik hoop dat de Heer ons nog lang te leven geeft. Ali en ik moeten hem dankbaar zijn.”

Na het interview neemt Frazier Hollandse stroopwafels in ontvangst. Op zijn gemak werkt hij er een naar binnen. Met een zwarte stift signeert hij een publiciteitsfoto uit de jaren zeventig. Dan biedt hij een lift aan en zet een van zijn Stetsons op. Beneden, in de parkeergarage, laat hij zijn Cadillac Escalade voorrijden en even later stuurt hij zijn witte SUV door de straten van Philadelphia, over de busbaan. Bobby Womack in de cd-speler. Frazier begint over Tiger Woods (“Tiger Green”), vertelt dat hij graag sleutelt aan oude auto’s, klaagt over de hoge benzineprijs en prijst president Obama. “Een slimme vent. Hij is het bewijs dat het niet uitmaakt welke kleur je hebt. You know what I mean?”

    • Peter Zantingh