Een bed, twee tassen vol kleren en 25 gulden

In een korte reprise van de rubriek ‘Familiefoto’ vandaag Natasja Benne (1984). „Oma huilde aldoor, zo ellendig vond ze het dat ze niet zelf voor me kon zorgen.”

„Ik kom uit een wereld zonder gezinnen. Mijn moeder stierf toen ik vijf was, mijn vader heb ik nooit gekend. Ik had nog een oma, de moeder van mijn moeder, maar zij was te oud om me op te voeden. Ik groeide op in een weeshuis in het bos.

„In Siberië zijn weeshuizen armoedig. Je kunt er blijven tot je zestiende, daarna krijg je een kamer in een flat en word je geacht zelf werk te vinden. Maar je hebt nauwelijks opleiding, dus hoe doe je dat? Met de meesten loopt het slecht af.

Met mij zou het anders gaan, dacht ik altijd. Ik ging zo vaak als ik kon naar mijn oma – dan liep ik door het bos naar haar huis. Oma was lief, maar ze huilde aldoor, zo ellendig vond ze het dat ze niet zelf voor me kon zorgen.

De meisjes in het weeshuis waren jaloers, want ik had nog familie. Ik sloot me van ze af. Het personeel van vooral onderbetaalde vrouwen had de pest aan me omdat ik wegliep en een grote mond had. Dan kreeg je straf. Maar ik kon goed tegen pijn. Ik vond het erger dat ze je als mens probeerden te doden. Je mocht geen eigen gedachten hebben.

Op mijn elfde deed ik mijn eerste ontsnappingspoging. Ik liep naar het dorpje van mijn oma, nam de trein naar de stad en meldde me bij de politie. Ik vond dat ze de waarheid over het weeshuis moesten kennen. Wat was ik naïef! Ik mocht één nacht blijven, daarna werd ik aan mijn oor naar het weeshuis teruggesleept. De tweede keer hield ik het wat langer vol, maar de politie kreeg me te pakken en bracht me weer terug. De derde keer was ik beter voorbereid. Ik was dertien en wist nu waar ik moest zijn: bij de straatkinderen die in leegstaande kelders onder flatgebouwen sliepen. Om aan geld te komen deden ze losse karweitjes, auto’s bewaken en zo. Sommigen snoven lijm uit plastic zakken, heel vies.

Ik raakte bevriend met een meisje met ouders en een huis. Ik mocht bij haar op bezoek komen. Haar moeder was getrouwd geweest met een Nederlander, en zij zei: ‘Ik weet een plek waar jij terecht kunt. Ik kan je erheen brengen, maar het is aan jou om er wat van te maken.’ Ze heeft mijn vliegticket betaald en me naar een opvanghuis in Eindhoven gebracht. Daar is deze foto gemaakt. Het is de eerste foto die ik van mezelf heb. De meisjes om me heen spraken Russisch, we waren vriendinnen.

‘Dit is je bed’, werd er gezegd, ‘hier zijn twee tassen vol kleren, en je krijgt 25 gulden zakgeld per week’. Het was alsof ik in het paradijs was beland. Ik bleef maar denken: wat moet ik hiervoor terugdoen, wat komen ze straks van me eisen? Ik was zo bang dat ik zou worden weggestuurd.

Benne is mijn echte achternaam, maar ik weet niet of ik hem van mijn moeder of van mijn vader gekregen heb. Mijn oma heeft me daar niets over verteld – voor haar was het ‘je vader was een sukkel’, ‘o, mijn arme dochter’, ‘arme jij’, en dat was het. Op een dag ga ik terug naar Siberië om het uit te zoeken. Wie weet vind ik dan zelfs mijn vader terug – al koester ik daar geen fantasieën over. Daar heb je niets aan.”

Thuis is het een ziekenboeg: haar vriend en twee zoontjes hangen in pyjama op de bank. Ze maakt zich geen zorgen – nu kan zij weer eens alleen op stap. Dat is ook heerlijk.

Op 28 oktober verscheen ‘Familiealbum’: een boek met de mooiste afleveringen uit deze rubriek, met een voorwoord van Hans Aarsman. Zie www. arbeiderspers.nl.

    • Sandra Heerma van Voss