Deze foto kregen we wél te zien

Waarom zagen we nooit foto’s als bewijsmateriaal van de dood van Bin Laden?

Omdat Obama de retorische kracht van die beelden goed begreep.

U.S. President Barack Obama (2nd L) and Vice President Joe Biden (L), along with members of the national security team, receive an update on the mission against Osama bin Laden in the Situation Room of the White House, May 1, 2011. Also pictured are Secretary of State Hillary Clinton (2nd R) and Defense Secretary Robert Gates (R). Please note: A classified document seen in this photograph has been obscured at source. Picture taken May 1, 2011. REUTERS/White House/Pete Souza/Handout (UNITED STATES - Tags: POLITICS CIVIL UNREST MILITARY IMAGES OF THE DAY) FOR EDITORIAL USE ONLY. NOT FOR SALE FOR MARKETING OR ADVERTISING CAMPAIGNS. THIS IMAGE HAS BEEN SUPPLIED BY A THIRD PARTY. IT IS DISTRIBUTED, EXACTLY AS RECEIVED BY REUTERS, AS A SERVICE TO CLIENTS REUTERS

In de avond van 1 mei dit jaar, kort na elf uur, daalden twee Amerikaanse Black Hawk helikopters neer in de kleine Pakistaanse stad Abbottabad om een actie uit te voeren die de internationale media de daaropvolgende dagen zou beheersen: de moordaanslag op Amerika’s staatvijand nummer 1, Osama bin Laden. Een speciaal hiervoor getraind team van mariniers slaagde erin om negen jaar, zeven maanden en twintig dagen na 11 september 2001 de leider van Al-Qaeda met twee kogels te doden. Er zijn door een marinier foto’s van Bin Ladens uitgestrekte lichaam genomen. En van zijn gezicht. Die zijn ter verificatie naar Amerika gezonden: hij was het echt.

Intens opgelucht door deze succesvolle actie zag Obama zich intussen voor een groot dilemma geplaatst. Hoe brengen we dit nieuws en vooral: geven we de foto’s van de dode Osama vrij aan de pers of doen we dat niet? Er was veel dat vóór pleitte.

Foto’s hebben grote bewijskracht: zo ziet het er echt uit, zo is het gebeurd. Mensen hebben grote behoefte aan visueel bewijs. Zij zouden kunnen blijven twijfelen aan de dood van deze man, volgens sommigen een moordenaar en volgens anderen een held. En een onomstotelijk bewijs was nodig om het Witte Huis de noodzakelijke, maar symbolische overwinning te geven, die president Obama nodig had om zonder al te veel gezichtsverlies eindelijk te kunnen beginnen aan de terugtrekking van zijn troepen uit Afghanistan.

Natuurlijk kunnen foto’s gemanipuleerd zijn. Maar voor CIA-directeur Panetta was het duidelijk: we moeten de foto’s publiceren om geruchten en complottheorieën de kop in te drukken. De vraag was volgens hem niet of, maar wanneer die foto werd vrijgegeven.

Maar een tweede eigenschap van foto’s bracht grote aarzeling bij Obama: de enorme impact van beeld op de emoties van de kijkers. ‘If it bleeds it leads’, is een oude journalistieke wet. De bloederige beelden van een door een kogel doorboorde schedel zouden bij publicatie tot hoogoplopende emoties in vele moslimlanden kunnen leiden. En er zouden tijdens de ontstane rellen wellicht nieuwe mensenlevens te betreuren zijn en nieuwe martelaren geworven kunnen worden.

U weet hoe het is afgelopen. ‘Pics or it did not happen!’, schrijven bloggers of leden van internetforums als iemand iets ongeloofwaardigs beweert. We hebben pictures, beelden nodig om je te kunnen geloven. Ondanks grote druk van burgers, adviseurs, senatoren en media die om onweerlegbaar beeldbewijs vroegen, leverden de autoriteiten die beelden als broodnodig logos voor hun zaak niet. Er waren wel beelden van een van de helikopters die tijdens de landing gecrasht was en in de brand was gestoken, wel beelden van het terrein waar Bin Laden jarenlang in het geheim had kunnen verblijven, en drie foto’s van drie doodgeschoten mannen in de villa, die door een Pakistaanse veiligheidsfunctionaris waren verkocht aan Reuters. En ook beelden van een zeemansgraf vanaf het vliegdekschip de U.S.S. Carl Vinson. Maar geen beelden van het gedode lichaam.

Het beeld dat we wel voorgeschoteld kregen op 3 mei en dat ook in bijna alle kranten en media is getoond, is de foto van de Situation Room van het Witte Huis, Obama en zijn belangrijkste adviseurs bijeen om de actie van de mariniers te volgen. De aandacht wordt direct getrokken naar Hillary Clinton. Ze heeft haar hand voor de mond. Typisch de reactie van iemand die erg is geschrokken. Zelf heeft ze gezegd dat ze toen wellicht heeft geniest. Niet de moordaanslag, maar de opdrachtgevers die naar de aanslag kijken, zonder triomfalisme, maar met betrokkenheid. Dat is het beeld dat wél getoond mocht worden. Want Obama heeft de symboolwaarde van de beide foto’s – de getoonde en de ongetoonde – niet onderschat. De foto van de dode Osama mocht geen icoon worden, zoals die van Che Guevara, die er inderdaad zo prachtig bij lag.

Aristoteles onderscheidde in Rhetorica drie overtuigingsmiddelen: logos, pathos en ethos. En hoewel hij aan de logos – de argumentatie en logische onderbouwing van het standpunt – de hoogste waarde toekende, moest hij erkennen dat doorgaans ook pathos (het aanspreken van de emoties van het publiek) en ethos (de betrouwbaarheid, de reputatie van de spreker) doorslaggevend kunnen zijn.

Obama heeft de balans laten doorslaan naar het ethos. Hij ziet af van de logosvoordelen van het vrijgeven van bewijzende foto, hij schat in dat het verwachte pathos-effect van publicatie olie op het vuur van de woedende extremistische moslims zou zijn en kiest voor zijn ethos: na de moordaanslag geen scalpvertoning, maar een ingehouden reactie die door velen als teken van politieke wijsheid zal worden beschouwd. „We gaan niet als een trofee met deze foto pronken. Zo zijn wij niet”, zegt Barack Obama tijdens een interview met CBS-programma 60-minutes, zeven dagen na de moordaanslag bouwend aan het ethos van een beschaafde, integere leider. Hoewel hij wel een man zonder proces heeft laten doodschieten, toont hij zich terughoudend.

Jaap de Jong is hoogleraar Journalistiek en Nieuwe Media in Leiden. Dit is een fragment uit de oratie ‘Pics or it did not happen!’, die hij afgelopen vrijdag uitsprak.

    • Jaap de Jong