Twee minuten tempo doeloe per aflevering

Indonesië was het land van de familie van Adriaan van Dis. Niet van hemzelf. In zijn nieuwe tv-serie reist hij langs de plekken van zijn ouders’ geschiedenis.

Over drie uur vliegt hij terug naar Nederland, maar nu is Adriaan van Dis nog met zijn hoofd bij de avonturen die hij beleefde tijdens zijn verblijf van twee maanden in Indonesië. Bij de bom die zomaar aan boord bleek van de veerboot waarmee hij met zijn filmploeg naar de Molukken reisde. Bij de Balinese vrouw, die zo in de war was nadat haar familie haar had verstoten dat ze jarenlang in haar eigen ontlasting lag te verkommeren. Bij de mannen op Sumatra die waren aangevallen door een tijger. „Prachtige, opwindende verhalen. En wat lees ik vandaag in de krant? Diezelfde tijger is gevangen”, zegt Van Dis. Het zijn verhalen die hij niet van tevoren had gepland, maar die zich opdrongen. „Je mag het eigenlijk niet zeggen, maar het komt je goed uit. Ook als het misère is.”

Vorige week maakte Van Dis de laatste opnames voor de achtdelige documentaireserie Van Dis in Indonesië, die de VPRO vanaf maart uitzendt. Een vervolg op Van Dis in Afrika uit 2008, bekroond met een Zilveren Nipkowschijf, waarvoor hij door zuidelijk Afrika reisde. Nu bracht hij twee keer twee maanden door in het land waar zijn moeder, zijn dominante vader en zijn drie zussen werden geboren, maar waar hij zelf nét niet bij hoorde. Een worsteling die een grote rol speelt in zijn literair oeuvre.

Wordt deze serie persoonlijker dan ‘Van Dis in Afrika’?

„Met Indonesië heb ik, ongewild misschien, een heel emotionele band. Dat is ook de manier waarop we het verhaal vertellen. Ik begin met een klein persoonlijk verhaal, dat vergroten we uit naar het heden. Zo maak ik de reis die mijn moeder heeft gemaakt met de boot. Toen zij hier als 22-jarige meisje aankwam, getrouwd met een nagenoeg Indonesische man, ging ze naar Bali en Ternate. Ik heb een foto van mijn moeder die bij de sultan van Ternate een roeiwedstrijd bijwoont, laten zien aan de huidige sultan. En dan gaat het verder over hoe zo’n eiland zucht onder de problemen tussen christenen en moslims. Een probleem dat eigenlijk is gebracht door de Hollanders, op zoek naar kruidnagels, en de verdeel-en-heers-politiek die daarachter zat.

„Maar het is absoluut geen tempo doeloe-serie. Op elke veertig minuten, is het twee minuten tempo doeloe. Dat is netjes, dacht ik.”

Was het emotioneel om voor het eerst de plekken van uw ouders’ jeugd te bezoeken?

„Ik ben in Sumatra naar de plaats geweest waar mijn vader aan de spoorlijn heeft gewerkt. Midden in de rimboe stond een locomotief. En het deed me niks, helemaal niks. Maar weet je wat me heel veel deed? Het kamp van mijn moeder. Dat is nu een school, er liepen kindertjes te spelen waar mijn zusjes vroeger hebben gespeeld. Toen ik daar stond te vertellen, moest ik mijn hoofd afwenden van de camera. Er kwam zóveel boven. Alle kampliedjes die ik als kind heb geleerd. Na de oorlog, maar ik zong ze het luidste mee, omdat ik bij hún oorlog wilde horen.”

Houdt u meer van het land dan toen u aankwam?

„Jazeker. Ik ben altijd een beetje schuw geweest, omdat het het land van mijn familie was. Ik hoorde daar niet bij als kind. Ik had ook de verkeerde kleur, helaas. Ik had bruine zusjes, een bruine vader die zijn kleur ontkende. Ik was het enige roze varkentje van de familie. Afrika, dat heb ik uitgevonden! Dat is van mij. Indonesië, dat was: jij was er nog niet, jij weet er niks van. Maar hier zeiden mensen tegen me: ‘Jij bent een Indische jongen!’ Heel kinderachtig, maar dat ontroert me dan.”

In Afrika was uw huidskleur ook belangrijk, maar op een andere manier.

„Ja, totaal anders. In Zuid-Afrika ben je door je vel een deel van de geschiedenis, zeker als Nederlander. Hier krijg je met je witte vel soms eerder dingen voor elkaar. Bij het controleren van tassen bij de supermarkt moeten Indonesiërs hun tas opendoen, en ik niet. Het verschil is dat de blanken hier massaal zijn vertrokken, terwijl ze in Afrika gebleven zijn. De Nederlanders zijn hier weggejaagd, met hun staart tussen de benen, en Indië ligt nu in Den Haag.”

Bent u optimistisch over hoe Indonesië zich ontwikkelt?

„Ik zie een land waar van alles kan, maar nog wel veel moet gebeuren. Bijvoorbeeld aan de infrastructuur. Ik ben nu twintig keer in Jakarta geweest, en heb in totaal zeker drie volle dagen in de file gestaan. De wegen op Sumatra zijn extreem slecht. Dan zit je negen uur in de auto, en heb je 220 kilometer afgelegd.

„Verder hangt er één donkere wolk boven Indonesië: wordt het een fundamentalistischer land, of wordt het een open democratie, waarin de islam de belangrijkste godsdienst is? Iedereen die we gesproken hebben, maakt zich daar bezorgd over. In Ternate staat er om de vijftig meter een moskee, betaald door buitenlandse geloofsbroeders. Het is arm, er is een grote werkloosheid onder jonge mannen. En nood leert bidden. Dat fanatisme hangt boven het land. Als ik Indonesië nu vergelijk met vijftien jaar geleden, is het zichtbaar geïslamiseerd.”

U heeft twee maanden doorgebracht in het grootste moslimland ter wereld…

„En ik leef nog, ik leef nog!”

Kunt u zich vinden in de angst die veel Nederlanders voor de islam hebben?

„Ik heb buitengewoon slimme moslims ontmoet die heel goed naar zichzelf kunnen kijken en weten wat er aan de hand is. Het probleem is dat deze godsdienst door een paar fanatieke gekken lijdt aan een bevuild imago. Hier zie je dat het allemaal samen kan gaan. In Nederland, waar iedereen met een loep naar de islam kijkt, is men gewoon in de war.”

Wat hoopt u dat kijkers na de serie over Indonesië hebben opgestoken?

„Dat ze zien dat het toch anders is dan ze dachten. En dat het deels een spiegel is. Zeker het hindoeïstische Bali, waar je naartoe gaat omdat het zo mooi is, maar dat onder druk staat van toeristen en van een steeds islamitischer Jakarta. Door het toerisme heeft men behoefte aan goedkope arbeidskrachten, die men importeert uit Oost-Java, en dat zijn bijna allemaal moslims. En wat zie je voor reactie? De mensen keren zich naar binnen toe. Er wordt misschien meer dan ooit geofferd in het hindoeïsme. En wie is de boosdoener? Dat is heel makkelijk, dat zijn natuurlijk de moslims. En dan denk ik: ja, dat komt me bekend voor.”

    • Elske Schouten