Strijd om elke hectare met Palestijnse olijfbomen

De olijvenoogst was mager dit jaar op de bezette Westelijke Jordaanoever. Kolonisten vernietigden volgens de VN zo’n 7.500 Palestijnse bomen.

Palestinian women sort olives during harvesting season in Khan Younis, in the southern Gaza Strip October 9, 2011. REUTERS/Ibraheem Abu Mustafa (GAZA - Tags: FOOD AGRICULTURE) REUTERS

anuit zijn woonkamer heeft Mahmoud Araj zicht op de illegale joodse buitenpost Adei Ad. Meer dan wat witte wooncontainers, een watertoren, elektriciteitspalen en een bomenrij is het niet.

Araj (60) durft vanuit zijn huis, in het Palestijnse dorp Turmus Aya op de bezette Westelijke Jordaanoever, best een eindje richting zijn land te lopen, dat halverwege de roestbruine helling ligt waarop Adei Ad is gevestigd. Stop, zegt hij dan opeens, stop.

Nergens zijn hekken. Araj ziet zijn olijfbomen al glanzen. Maar als hij verder loopt, zegt Araj, komen de kolonisten van Adei Ad met honden en loden pijpen naar beneden.

Zo leert althans de ervaring. Toen hij dit voorjaar zijn land wilde ploegen, werd hij met stenen bekogeld. „Het Israëlische leger stond er vanonder mijn bomen bij te kijken.”

Door de nederzettingen verloor Araj drie hectare grond. Voor toegang tot twaalf andere hectaren moet hij het leger om toestemming vragen. Dit jaar kreeg hij drie dagen voor de oogst. Toen hij eind oktober zijn land betrad, trof hij dode bomen. Zeker 72 bomen waren uitgedroogd. Araj nam een tak mee als bewijs. Er waren gaten in geboord. De universiteit van Birzeit trof er gif in aan. Gelukkig waren het relatief jonge bomen, zegt Araj. Vijftien tot zeventien jaar oud.

Nu de olijvenoogst op de bezette Westelijke Jordaanoever voorbij is, overzien de boeren het slagveld. Volgens de Verenigde Naties werden dit jaar 7.500 Palestijnse olijfbomen vernietigd door Israëlische kolonisten. Ze werden omgezaagd, ontworteld, verbrand, gekapt, vergiftigd. Internationale hulporganisaties ramen de schade op een half miljoen dollar.

Bijkomend probleem is dat veel boeren van het leger maar enkele dagen mochten oogsten. Te kort om alle olijven te verzamelen. Voor sommige boeren, zoals die van Salfit, kwam de vergunning te vroeg. Zij werden even op hun land toegelaten toen hun olijven nog niet rijp waren.

Araj uit Turmus Aya is niet het type dat klaagt. Hij draagt een vulpen in de borstzak van zijn jurk en een band om zijn witte hoofddoek, die laat zien dat hij in het dorp tot de notabelen wordt gerekend. Zijn kraaienpootjes verstopt hij in de felle najaarszon achter een skibril.

Zijn grond was eens van zijn overgrootvader. Araj bracht zijn jeugd erop door, samen met negen broers. Zij delen de grond nu met hun kinderen. Araj: „Olijven zijn ons leven.”

De problemen begonnen, zegt de boer, op de dag dat de eerste kolonisten kwamen. Tegenwoordig kun je vanuit Turmus Aya op vrijwel alle omringende heuveltoppen joodse nederzettingen zien.

Adei Ad (letterlijk: ‘voor altijd’) kwam in 1998. Hoewel de buitenpost volgens de Israëlische autoriteiten op Palestijnse grond ligt en illegaal is, hielp de Israëlische overheid met de infrastructuur. Adei Ad wacht officieel al acht jaar op ontmanteling, maar blijft ongemoeid.

De joodse bewoners beschouwen de Westelijke Jordaanoever, die Israël in 1967 veroverde, als land dat hun toekomt. De Palestijnen beschouwen het gebied als basis van een toekomstige Palestijnse staat. Omdat Israël in het bezette gebied blijft bouwen, liggen onderhandelingen met de Palestijnen stil.Op de grond wordt elke dag om elke hectare gestreden.

Soms oogsten kolonisten in de buurt de Palestijnse olijven. Maar vaker vernielen ze de bomen, om te voorkomen dat Palestijnse boeren aanspraak komen maken op hun land. Gekapte olijfbomen kunnen na enkele jaren weer vruchten dragen. Uitdroging door vergiftiging is onomkeerbaar.

Thuis heeft Araj foto’s van kolonisten op zijn akkers. Ze hebben doeken om hun gezicht geknoopt en dragen tzitzits, kwastjes rond hun heupen. Araj is goed gedocumenteerd. Hij heeft een logboek, satellietfoto’s en knipsels in kartonnen mappen, gerangschikt op jaar.

Araj is een uitzondering, zegt Firas Alami, medewerker van de Israëlische mensenrechtenorganisatie Yesh Din, die Araj bezoekt. „Veel Palestijnse boeren kennen hun rechten niet. Of ze geloven er niet in. Of ze accepteren geen Israëlische hulp.”

Yesh Din (‘er is recht’) helpt Palestijnse boeren aangifte doen. Omdat de klacht over grond gaat, vallen de boeren onder Israëlische militaire tribunalen. Politiebureaus bevinden zich vaak in Israëlische nederzettingen, waar de Palestijnen niet zomaar mogen komen.

De Israëlische activisten van Yesh Din hebben chocola voor Araj bij zich. „Omdat we altijd komen vragen en nooit iets teruggeven”, zegt een vrijwilliger. De boer bedankt in het Hebreeuws. Hij kent de mensen van Yesh Din goed, want hij deed vaker aangifte. Nooit werd iemand gepakt. Dat komt volgens Araj omdat zijn probleem niet alleen door kolonisten komt, maar door het systeem. „De Israëlische politie, het leger, het parlement, ze beschermen elkaar.”

Alami knikt. Van de 127 aanklachten over vernieling van Palestijnse bomen die Yesh Din gedurende vijf jaar volgde, resulteerde slechts één klacht in een veroordeling. Bijna honderd zaken werden gesloten wegens gebrek aan verdachten.

De politie kent die statistiek niet, zegt een woordvoerder, en houdt zelf geen cijfers bij. „Maar één veroordeling, dat is toch fantastisch? Dat betekent dat we bezig zijn met vervolging.” Het probleem, zegt de politie, is niet de lage pakkans maar het feit dat Palestijnen zelden aangifte doen.