Samen kunnen we het nog veel geler maken

Een bezoeker aan het atelier van de negentiende-eeuwse schilder Andreas Achenbach zag een kleurenblinde leerling aan een nogal schril landschap werken en zei, kritisch: wat is dat blauw. Hierop zei de leerling: „O, ik kan het nog veel blauwer.”

Vandaag is alles heel erg geel. U zou een hap citroen moeten nemen om na te gaan hoe geel precies. De sneltreingele herfstbladeren van de Ginkgo biloba in het zonlicht, banaan, saffraan, stofdoeken, emoticons, de literfles Cif Allesreiniger Oxygel Lemon – ik zou het nog wel geler willen, maar dat lukt me niet in de krant. Ik zou u met uw neus door de kanariepietjes moeten halen en plastic badeendjes in uw mond moeten stoppen om te laten proeven hoe geel de herfst is waar ik tegenaan zit te kijken.

Het ontbreekt de manier waarop we over de wereld praten soms aan concrete en overtuigende details. Dan hoor ik iets over staatsschulden en steunfondsen en dan zeg ik wat alle Amerikanen in zo’n geval ook zeggen: „Ik kom uit Missouri. Je moet het me laten zien.” Willard Duncan Vandiver, lid van het Amerikaanse Congres, zei dit tijdens een speech in 1899. „Ik kom uit een staat die maïs voortbrengt en katoen en klissenkruid en Democraten – corn and cotton and cockleburs and Democrats – en frivole welsprekendheid voldoet en overtuigt me niet. I’m from Missouri. You’ve got to show me.”

Het probleem is natuurlijk dat je al pratend, in een congres, moeilijk iets concreet kunt laten zien of zelfs bewijzen. Als het het faillissement van hele landen betreft, kun je onmogelijk vertellen hoe dit in de praktijk zal uitpakken en wat je beslissing betekent op het niveau van katoen en klissenkruid. Taal is een gemankeerd medium – en niet alleen de taal. Elke poging de details van de wereld in de greep te krijgen, moet wel jammerlijk mislukken.

Omdat ik me vandaag, bij gebrek aan overzicht, beperk tot het detail van de herfstbladeren en omdat ik u iets van hun geelheid wil laten zien, zoek ik naar het artikel Blindness and Art van Nicholas Mirzoeff. Dit gaat over de relatie tussen zintuiglijkheid en denken, over blindheid en abstractie. Ik herinner me dat het ook gaat over de beperkingen van taal en kunst als media. Hoe los je het probleem op dat je met je krantenstukje de lezer niet de geelheid van de herfst kunt laten zien en proeven? In de boekenkast vind ik het artikel terug in The Disabilities Studies Reader.

Het eerste wat ik bij Mirzoeff lees, wijst me op de blindheid van het schilderen als medium. Hij beschrijft hoe Lodewijk de Veertiende, de Zonnekoning, in zijn tijd conferenties organiseerde over kunst, voor studenten, ministers en kunstenaars. Tijdens een van die bijeenkomsten besprak kunstenaar Sébastien Bourdon een schilderij van Nicolas Poussin, Christus geneest de blinde van Jericho. Het college ging over de lichtval op het schilderij, maar de aanwezigen wilden vooral weten waar Poussin de „grote schare” aan getuigen, waarover de Bijbel spreekt, had gelaten. Deze staat achter de gebouwen, zei Bourdon.

In visuele representatie zit een element van blindheid, zegt Nicholas Mirzoeff in zijn artikel, net zoals er een element van doofheid en stomheid in zit. Je kunt als schilder nu eenmaal niets laten horen. Je kunt ook nooit alles tegelijk laten zien. Soms staan de mensen die je schildert net achter een gebouw. De kunst heeft zo zijn beperkingen. Gelukkig kunnen deze vaak worden gecompenseerd. In de eeuw van Poussin – de zeventiende – gebruikten schilders bijvoorbeeld de gebarentaal van doven om hun figuren te laten spreken. Zo kon je toch zien wat je niet kon horen.

Dit was het eerste wat ik leerde van Mirzoeff. Ik zou u de geelheid van de herfst kunnen laten horen als ik haar niet kan laten zien. De tweede goede tip die ik van Mirzoeff kreeg, is dat je je eigen gebreken en die van de ander ook kunt compenseren. Kunstenaars en filosofen in vroeger eeuwen hadden het zo opvallend vaak over blindheid en doofheid omdat ze ervan waren doordrongen dat de mens zijn beperkingen heeft, net zo goed als het schilderij. Niemand is perfect, maar ieder kan zijn gebreken te boven komen.

Tot in de negentiende eeuw, toen menselijke beperkingen door de opkomst van de medische wetenschap opeens werden gezien als afwijking van de norm, was het perfecte lichaam een droombeeld geweest, een visioen, een ideaal waaraan niemand voldeed. De blinde was niet invalide. Hij werd geleid door de lamme en ontwikkelde zelf een superieur gehoor of abstractievermogen. Pas in de moderne tijd, toen het ideaal werd vervangen door de norm en toen de mensheid begon te streven naar het statistisch gemiddelde of het modale, werd iedereen met afwijkende gaven een invalide.

Ik stotter en ik hink vandaag. U moet me helpen. Ik wilde u alleen maar iets geels laten zien: het ideale landschap, badend in het gouden licht. U moet me op zeventiende-eeuwse wijze ondersteunen – de lamme en de blinde, twee koppen in één zak. Als u na het lezen van dit stuk denkt aan klompen, aan kaas, aan meloen, aan WC-eend, aan zonnebloemen, aan maïs and cotton and cockleburs, krijgen we het landschap geel genoeg.

Wat zeg ik? Samen kunnen we het nog veel geler.

    • Marjolijn Februari