Millimeteren in Kunduz

Met bij het onderwerp behorende en de niet meer weg te denken Haagse precisie heeft het kabinet een nieuw element toegevoegd aan de veelbesproken „geïntegreerde politietrainingsmissie” van Nederland in het Afghaanse Kunduz. In een brief aan de Tweede Kamer schrijven de vier direct betrokken bewindspersonen een „aanvullende bijdrage” te willen leveren aan het politieopleidingsprogramma dat Nederland uitvoert in de noordelijke Afghaanse provincie.

Dit gebeurt op verzoek van de Afghaanse autoriteiten. Er wordt gedacht aan het opleiden van lager politiekader van de civiele politie in zowel Kunduz als in de omliggende regio, en aan het scholen van de in de noordelijke provincies werkzame grenspolitie. Wat capaciteit betreft kan Nederland gemakkelijk aan deze wens voldoen. De deze zomer begonnen Nederlandse missie, waarvoor in totaal zo’n 550 mensen beschikbaar zijn gesteld, zit immers nu met te weinig werk, zoals het kabinet begin vorige maand meldde. Zeven van de twintig opleiders van de marechaussee werden eerder naar huis gestuurd.

Het is vooral belangrijk of de voorgestelde extra werkzaamheden vallen binnen het, nauwkeurig omschreven, mandaat waarmee de Tweede Kamer de Nederlandse missie begin dit jaar opzadelde. Dat is het geval. Aan de voorwaarde dat de door Nederland opgeleide politieagenten niet worden ingezet bij militaire acties, lijkt te worden voldaan. Dat wil zeggen: op papier. Eerder is vastgesteld dat de Haagse werkelijkheid met al haar gedetailleerde voorwaarden en doelstellingen (met als hilarisch hoogtepunt het zogenoemde agent-volgsysteem) weinig van doen heeft met de Afghaanse praktijk. De capaciteit van de politie in Afghanistan is nog altijd een probleem. Alles wat Nederland extra kan doen bij het opleiden van de Afghaanse politie, is dan ook meegenomen.

Te hopen valt dat de nieuwe activiteiten leiden tot blikverruiming in Den Haag. In het Nederlandse politieke debat is Kunduz ongeveer synoniem voor Afghanistan. Eerder was dat met Uruzgan het geval, toen Nederland daar militair actief was. De realiteit is dat Nederland, als partner van de NAVO en als lid van de Verenigde Naties, al in 2002 bij het begin van de ISAF-missie een verplichting is aangegaan voor heel Afghanistan.

De internationale afspraken, waaraan in januari 2010 ook een Nederlands kabinet met PvdA-ministers zich committeerde (de partij is nu tegen de missie), zeiden dat de Afghaanse politie moest worden uitgebreid tot 134.000 manschappen. In dat licht moet dan ook het door Duitsland geleide trainingsprogramma, waaraan Nederland deelneemt in Kunduz, worden bezien. Er is in Afghanistan meer aan de orde dan de door de Haagse politiek verlangde ‘Dutch approach’.