In de moskee ben je niet 'die Marokkaan'

Bestuurslid zijn van de jongerenvereniging van de moskee kost best veel tijd. Maar er staat ook veel tegenover. In de moskee ben je niet ‘die Marokkaan’.

Mohamed Bojada (22) studeert technische bestuurskunde aan de TU in Delft en werkt bij de klantenservice van de gemeente Den Haag. Hij woont bij zijn ouders en heeft een zusje.

Hamza Ait Elhadj (23) studeert small business retail management aan de Haagse Hogeschool. Hij woont bij zijn ouders en heeft zes broers en vier zussen. Hij is de jongste. Beiden zijn bestuurslid van de jongerenvereniging van de moskee.

Mohamed: „Vanaf mijn vierde kom ik in deze moskee. De jongens die ik hier leerde kennen, zijn mijn beste vrienden.”

Hamza: „Ik zat eerder op de moskeeschool dan op de basisschool. Ik heb er veel geleerd.”

Mohamed: „Wij ruilden voetbalplaatjes in de moskee. We zaten allemaal in dezelfde situatie: Marokkaanse jongens thuis, Nederlandse jongens buiten. Ik heb ook Nederlandse vrienden. Maar als ik een mentaal probleem heb, snapt Hamza me beter.”

Hamza: „Vrijwel elke Marokkaanse jongen krijgt te maken met een identiteitscrisis, omdat je tussen twee culturen opgroeit. Ik deed mijn best erbij te horen op school. Niet anders zijn dan anderen.”

Mohamed: „Nu zeg ik: ik ben wie ik ben en als het je niet aanstaat, dan heb je pech.”

Hamza: „Ja, dat heb ik precies zo.”

Mohamed: „Als Marokkaanse Nederlander ben je anders. Minder. Op school en werk. Je bent Marokkaan, je zou ook een terrorist kunnen zijn. Ik heet ook Mohamed B. Ik solliciteerde met een andere, autochtone jongen op een baan. Ik had een hogere opleiding en meer ervaring. Hij kreeg een gesprek en ik niet. Je wordt er pessimistisch van.”

Hamza: „Moedeloos.”

Mohamed: „Ik ga gewoon door. Als je eenmaal binnen bent, lukt het. Meestal doen Marokkanen het heel goed. Ze moeten zich bewijzen. Mijn baas zei: ‘Dat had ik niet verwacht.’”

Hamza: „Ik heb jarenlang bij de Albert Heijn gewerkt. ‘Nou Hamza, jij spreekt goed Nederlands.’ ‘Dank je’, zeg ik dan. Daar moet je toch om lachen? Ik ben hier geboren.”

Mohamed: „Alleen in de moskee ben je niet díe Marokkaan. Je voelt herkenning.”

Hamza: „Het is rustgevend, alsof ik thuiskom.”

Mohamed: „Als ik buiten mensen deze kant op zie lopen, dan groet ik ze. Ik voel warmte. De moskee is een ontmoetingsplek. Maar ook een keurmerk. Je weet: deze mensen hebben dezelfde waarden en normen. Hangjongeren zoeken elkaar ook op.”

Hamza: „Als ze in de moskee hadden gezeten, zouden ze niet op straat hangen en rotzooi trappen. Ik kan altijd naar de imam gaan als ik een probleem heb.”

Mohamed: „Toen ik een kind was, kwamen er bijna geen meisjes in de moskee. Dat is veranderd. Jongens en meisjes zitten in één klaslokaal voor koranles of Arabische les. De jongens voorin, de meisjes achterin. Volwassen vrouwen gaan minder naar de moskee dan mannen. Het is voor vrouwen niet verplicht. Ze zijn thuis voor het huishouden en de kinderen. De moskee is belangrijker voor een man dan voor een vrouw.”

Hamza: „Dan hebben we het over de moskee, niet over de islam.”

Mohamed: „Bij lezingen komen meer meisjes dan jongens.”

Hamza: „Overdag ben ik op school, dan stel ik het gebed uit en verricht het thuis. Op de Haagse Hogeschool is er alleen onder de trap plek om te bidden.”

Mohamed: „Op de TU is een aparte ruimte.”

Hamza: „Op de Haagse Hogeschool zijn ze seculier, zeggen ze.”

Mohamed: „We zetten ons in voor de moskee. Dat is heel tijdrovend. We proberen andere jongens te interesseren om activiteiten te organiseren, maar ze zijn vaak te druk.”

Hamza: „Marokkaanse kinderen groeien vaak op in gezinnen met weinig geld. Als ze ook mooie kleding of een scooter willen, moeten ze naast school veel werken.”

Mohamed: „Dan blijft er weinig tijd over voor de moskee. Dat is jammer, er is veel te doen.”

Sheila Kamerman