De moorddadige geschiedenis van mijn straat

Toen ik in mijn straat in Berlijn kwam wonen, wees niets erop dat dit in de nazitijd een straat was met Judenhäuser, Jodenhuizen.

Voor mij was de Duisburger Strasse een gewone straat in de West-Berlijnse wijk Charlottenburg-Wilmersdorf; een zijstraat van de Kurfürstendamm.

Dat mijn straat geen onbelast verleden had – als je dat van een straat mag zeggen – bleek toen op een dag de Duitse kunstenaar Gunter Demnig Stolpersteine voor het huis van onze buren kwam leggen. Demnig kende ik van een verhaal dat ik eerder over hem schreef. Zijn Stolpersteine, letterlijk struikelblokken, zijn messing tegeltjes met daarop de gegevens van Joden die in de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord.

Demnig metselt die tegels, meestal op verzoek van de huidige bewoners of nabestaanden, in de stoep voor de huizen waarin destijds Joden woonden.

Op een tegeltje voor ons buurhuis staat bijvoorbeeld: ‘Hier woonde Sara Schwersenz, geboren 1871, gedeporteerd 23.9.1942 naar Theresienstadt, vermoord in Auschwitz’

Demnig noemt zijn Stolpersteine „een kunstproject voor Europa”. Het is zijn levenswerk geworden. Hij doet niets anders dan gedenkstenen plaatsen, tot in Nederland en Hongarije toe.

Voor nummer 1 van onze straat legde hij negentien tegels op initiatief van mijn buurman Klaus Brake, die enkele jaren geleden ontdekte dat tijdens de oorlog opmerkelijk veel Joden in zijn huis woonden.

Bij die Stolpersteine is het niet gebleven. Brake kwam er vorig jaar achter dat de Duisburger Strasse net buiten de judenreine zone rondom de Kurfürstendamm lag, het gebied waar geen Joden mochten wonen. Zodra ze daar uit hun huis waren gezet, trokken ze naar een ‘Jodenhuis’ in de Duisburger Strasse.

Onze straat is krap driehonderd meter lang. Er staan twintig huizen in, met achterhuizen en zijvleugels. „In de Duisburger”, vertelt Brake, „woonden in de nazitijd meer dan 130 Joden. Ze zijn vrijwel allemaal gedeporteerd of hebben zelfmoord gepleegd. Slechts één of twee hebben het overleefd. Daarmee is onze straat een historisch-politiek monument van de eerste orde.”

Brake is niet Joods. Uit persoonlijke betrokkenheid wil hij de herinnering levend houden aan wat hier is gebeurd. Hij mobiliseerde ons, de bewoners, voor de oprichting van een gedenkbord met daarop de moorddadige geschiedenis van de straat. Onder de titel Unvergessen. Wir erinnern.

Dat manshoge bord, van metaal en glas, is zaterdag officieel onthuld. Eerst trokken we in een stille optocht langs onze eigen woningen. Voor elk huis werden de namen voorgelezen van de Joden die er in de nazitijd woonden. Daarna was er muziek en een toespraak. Het was een aangrijpende ochtend. We wisten opeens weer dat de oorlog nooit voorbijgaat. Dat is het lot dat Duitsland over zichzelf heeft afgeroepen.

Onze beroemdste Joodse straatgenoot is de schrijver en journalist Kurt Tucholsky, die kort voor zijn emigratie een huurwoning op nummer 16 had. Op de nummers 2 en 2a, het huis waarin ik woon, hebben tot hun deportatie of zelfmoord tien Joden gewoond: Hugo en Martha Cohen, Vera Durra, Else Hahn, Richard Jaretzki, Ernst en Meta Mayer, Ernst en Michla Pieck en Emmi Weissenberg. Die laatste is in 1939 naar Nederland uitgeweken. Ze kwam in kamp Westerbork en vervolgens in Auschwitz terecht, waar ze op 11 december 1942 werd vermoord.

Een buurvrouw uit het voorhuis zegt bedachtzaam: „Met hun geesten leven wij nu hier.”

Joost van der Vaart

    • Joost van der Vaart