We verschillen te veel van Europa

‘Europa vindt’, ‘van Europa moet’. Maar voor de Grieken die met de pont naar Salamis oversteken, is Europa ver weg. Pijn, angst en vernedering overheersen.

Wat kapitein Panagiotis Sofras (37) vanuit zijn kleine kajuit langs ziet glijden is voor hem geen Europese Unie. Heen en weer varend tussen dokwerkersstad Perama, even ten noorden van Piraeus, en het eiland Salamis, ziet hij werven en raffinaderijen. De kapitein ziet een onoverzichtelijke bedrijvigheid op de kade, waar mannen achter een duwkar broodringen met sesamzaad verkopen, waar een bejaarde met lottoloten leurt en waar iedereen parkeert waar het niet is toegestaan. Voor deze jonge vader, een kleine zelfstandige in streepjestrui, is Europa elders. Ver weg.

Het gebeurt onbewust. Als Grieken het over Europa hebben, lijkt het meestal alsof het niet over henzelf gaat. Alsof ze er nooit echt bij zijn gaan horen. ‘Europa vindt...’, klinkt het dan. Of: ‘Van Europa moet...’ Het doet denken aan de manier waarop ze over hun parlement praten. Dat heet geen volksvertegenwoordiging, maar ‘die driehonderd daar’.

Kapitein Sofras vertelt het bovenin de Salamis Express III, een kleine veerboot waarmee hij mensen overzet. Hij zegt het zo: „We zijn te verschillend. Onze landen. Onze culturen. We hebben een andere mentaliteit. Niet beter of slechter, maar anders. We worden nooit één.” Hij klinkt diep teleurgesteld. Na een lange stilte. „Misschien moeten we het over vijftig jaar nog eens proberen.”

Grieken zien deze weken bevestigd wat ze al vreesden. Stiekem kijkt Europa op hen neer. De twee politieke families die het land al meer dan vijftig jaar besturen en voor wie de meeste Grieken zich doodschamen, zijn er in geslaagd het beeld te vestigen van een chaotisch en kinderachtig land, waar ze drukker zijn met ruziën dan met besturen. Een land dat altijd speelbal zal blijven van andere grootmachten. Een kleine, strategisch gelegen parel aan de Middellandse Zee – dat wel.

De EU misbruikt Griekenland, vindt Paraskevi Pastou (18), een blondine met golvend haar en kunstig versierde nagels. Ze studeert aan de zeevaartschool en zit op de veerboot naast het raam, tas op schoot, schouder tegen het gelige schuifgordijn.

Het uitzicht glijdt elke dag voorbij. „Zij van Europa hebben belangen. Zoals olie. Of de Acropolis.” Het was beter geweest om nooit lid te worden denkt ze, niet van de euro noch van de Europese Unie. Pastou, geboren en getogen op Salamis, vermoedt dat haar toekomst in Australië ligt. „Waarschijnlijk vind ik hier de komende jaren geen werk.”

Geen aanlokkelijk perspectief: Pastou spreekt geen Engels en het leven op het perfect gelegen eiland is – geld buiten beschouwing gelaten – aangenaam. De overtocht van Salamis naar Perama duurt een kwartier, daarna ben je binnen een half uur in het centrum van Athene. Ze klinkt strijdbaar achter de grote zwarte zonnebril. „Een sterke Griekse leider zou het IMF eruit moeten gooien.”

Paard van Troje

In het centrum van Athene wonen de beroepsideologen, de fulltime vakbondsleiders die betaald worden voor hun mening en natuurlijk de studenten. „We hebben het altijd al gezegd”, zeggen die op hun terrassen: „De Europese Unie is gedoemd uiteen te vallen.” En: „Dit gaat over zoveel meer dan Griekenland.”

De metaforen die ze gebruiken spreken tot de verbeelding: Griekenland als Paard van Troje dat het uiteenvallen van het Europese Rijk op gang brengt. Griekenland als kanarie in een mijnschacht waarmee wordt bekeken hoe lang je een volk kan overvoeren met bezuinigingen en traangas. Tussen de regels door klinkt trots, als in het Gallische dorpje van Asterix en Obelix. Griekenland als het kleine land dat ondanks alles in staat is de gebeurtenissen op het wereldtoneel te dicteren. Daaronder ligt de veronderstelling dat de bezuinigingen en hervormingen in Griekenland een druppel op de gloeiende plaat zijn. Die kun je dus net zo goed achterwege laten.

Maar hier op de Salamis Express III zitten niet de denkers die benadrukken dat Griekenland de democratie zou hebben uitgevonden. Daar zou de EU de Grieken dankbaar voor moeten zijn. Hier zitten mensen voor wie de onzekerheid waarin het land verkeert, tastbaar is. Die voelen wat Griekenland moet doen om economisch weer op eigen benen te kunnen gaan staan. Sommige economen reppen van een verlaging van de lonen met vijftig procent om weer te kunnen concurreren.

In de metaforen zit weinig heroïek. Alleen pijn, angst en vernedering. „Griekenland is een proefdier”, zegt garagehouder Andreas Mavroyiannis (33) op de kade van Salamis. „Ik weet niet waarom ons dit allemaal overkomt. Het draait toch ook om Italië en Frankrijk? Maar Griekenland is klein.”

Europese lotsbestemming

Als de Grieken in 1980 in een referendum was gevraagd of ze bij de Europese Economische Gemeenschap wilden, hadden ze hoogstwaarschijnlijk ‘nee’ gezegd. De toenmalige Premier Karamanlis motiveerde de keuze als de „Europese lotsbestemming van Griekenland”, maar de meeste Grieken waren tegen, bleek destijds uit peilingen. Het waren vooral de leiders in de kleine kern van Europese landen (de Benelux, West-Duitsland, Frankrijk, Italië, het Verenigd Koninkrijk en Ierland) die het beter leek Griekenland erbij te trekken. Het land was sinds 1974, na zeven jaar militaire dictatuur, een prille democratie en beschikte over een functionerende markteconomie, ingeklemd tussen de communisten in Albanië en Bulgarije. De Koude Oorlog was nog lang niet voorbij. Griekenland zocht vooral bescherming tegen buurland Turkije, de vroegere overheerser en onderdrukker, die er de schuld van kreeg dat de Verlichting grotendeels aan Griekenland voorbij ging en die er in de Griekse beleving nog altijd op loert die tijden te doen herleven. De Europese Economische Gemeenschap zagen de Grieken eerder als een politieke dan als een economische eenheid, net zoals de NAVO.

Toch werden de jaren tachtig een tijd van ingrijpende economische en sociale veranderingen. Belangrijker dan toetreding tot Europa’s economische was de binnenlandse omwenteling.

Na de conservatieve kapitalisten van Nieuwe Democratie kwamen de socialisten aan de macht. Andreas Papandreou, de vader van de huidige premier, zorgde als een herder voor zijn kudde. Mensen die in de burgeroorlog (1942-1949) bij de verliezers, de communisten, hoorden kregen een plek binnen het openbaar bestuur. Daar waren ze tot die tijd actief buiten gehouden. De Griekse veiligheidsdienst hield dossiers van hen bij.

Het Europa toen was niet het Europa van nu. Het was toen een club landen die onderling hadden afgesproken elkaar te vertrouwen. Dat in Griekenland industrieën werden genationaliseerd om banen te kunnen uitdelen aan Pasok-leden, ging ‘Europa’ niets aan. Griekenland kon Griekenland zijn. Een land als een vrolijke, zonnige bazaar, vol scharrelaars en familiebedrijven die hun eigen broek ophielden. Voor een groot deel een grijze economie.

Wat zich voltrok was misschien sociale rechtvaardigheid, maar een ramp voor de economie. Voor de huidige regering is het moeilijk die ramp volmondig te onderkennen. Het is een klassiek drama. Aan zoon George Papandreou de loodzware taak het levenswerk van vader Andreas Papandreou te onttakelen.

Kajuit

„Ik kan niet geloven dat Europese politici niet wisten wat hier gebeurde. Dat ze nooit controleerden”, zegt kapitein Sofras. Hij vindt het goed dat Griekenland bij de EU is gaan horen, maar ziet nog altijd een gebrek aan kennis en begrip. „Sommige dingen die in Brussel worden besloten, passen niet goed. Jullie kennen mij niet. Jullie kennen de Griekse burgers niet.”

De kapitein doelt onder meer op de bezuinigingsbesluiten en de belastingverhogingen die het voor ondernemers zoals hemzelf steeds moeilijker maken. Veel Grieken zien dat als Duitse oplossingen voor Griekse problemen. „Het is onmogelijk te verlangen dat wij zoals Oostenrijk of Duitsland worden”, zegt ook Sofras.

In de hoek van zijn kajuit hangt een kleine tv. Het geluid staat uit, maar beelden wisselen elkaar af van een parlementair debat, politici die in en uit lopen en politiek commentatoren die duiden wat zich hier voltrekt. Het zijn de hoofdschuldigen voor Sofras en de meeste passagiers die hij vandaag vervoert. „Ze zijn corrupt en ze stelen”, zegt de een na de ander.

Sofras schuwt grote woorden niet. „We zijn teleurgesteld in onze leiders, maar ook in ons ras”, zegt hij. „We hebben onze voorvaderen teleurgesteld, de Oude Grieken en de mensen die in 1821 hun bloed gaven voor onze onafhankelijkheid. Ik wil dat mijn land net zo sterk is als andere EU-landen. En als ik naar andere landen ga, wil ik net als jij respect. Grieken zijn niet lui. Maar als ik nu naar het buitenland ga en zeg dat ik Griek ben, durf ik niet te voorspellen wat er gebeurt.”

    • Marloes de Koning