Wapens uit arsenalen Gaddafi ideaal voor terroristen

Omdat de ene verjaardag nu eenmaal feestelijker is dan de andere, ging deze week de vlag niet uit. Toch was het precies honderd jaar geleden dat voor het eerst vliegtuigen werden ingezet in een oorlog. De Italiaanse piloot Giulio Gavotti had de primeur. Op 1 november 1911, in de oorlog tussen Italië en het Ottomaanse Rijk, moest hij granaten uit zijn toestel gooien op twee kampen van de vijand in … het huidige Libië.

In een leren tas had hij vier Cipelli-granaten bij zich, elk ter grootte van een grapefruit. Met zijn tanden zou hij de pin eruit getrokken hebben voor hij ze naar beneden gooide. Ze raakten de vijandelijke stellingen niet, de meeste kwamen in het zand van de woestijn terecht. Wel heeft dit oerbombardement mogelijk al collateral damage veroorzaakt en burgers verwond, maar daarover lopen de meningen uiteen.

Precies honderd jaar later kon de NAVO – dankzij haar straaljagers met precisiebommen, haar tankvliegtuigen, onbemande vliegtuigjes en vliegende radars – de oorlog in Libië triomfantelijk afsluiten. De secretaris-generaal (kortweg SecGen) van het bondgenootschap, Anders Fogh Rasmussen, twitterde maandag opgetogen: „Historic. I’m first #NATO SecGen to visit #Libya. At midnight we end operation to protect #Libyans – one of most successful in NATO history.”

Ook voor deze mijlpaal is nauwelijks de vlag uitgestoken. Terwijl de operatie van het bondgenootschap toch een beslissende rol heeft gespeeld bij de beëindiging van het wrede bewind van Gaddafi.

De opstand, die in maart al vrijwel de nek was omgedraaid door de troepen van Gaddafi, wist dankzij de luchtsteun van de NAVO te overleven en uiteindelijk te zegevieren. „Samen is het ons gelukt’’, zei Rasmussen in Tripoli tegen de Libiërs. „Eindelijk is Libië vrij.”

Het bondgenootschap pakt nu opgelucht zijn spullen. De honderden vliegtuigen kunnen naar huis terugkeren, net als de tientallen schepen die toezagen op het wapenembargo. De operatie heeft zeven maanden geduurd, veel langer dan de bedoeling was. Maar het doel is bereikt en de bombardementen hebben voor zover nu bekend weinig burgerslachtoffers veroorzaakt.

Toch is opnieuw gebleken dat oorlogsvoering vanuit de lucht geen wondermiddel is, ook al heeft het grote voordelen boven het sturen van grondtroepen – voor de veiligheid van de eigen manschappen, voor de snelheid waarmee kan worden ingegrepen en voor de precisie van verkenning en aanval.

Vaak bestaan er veel te hoge verwachtingen over wat bombardementen kunnen bereiken. Zelfs zo’n grote overmacht als de NAVO zeven maanden lang in de lucht wist te houden, bleek op zichzelf niet genoeg om de rebellen in staat te stellen het regime van Gaddafi te verslaan. Daarvoor was nodig dat Londen en Parijs militaire adviseurs stuurden, om de rebellen ter plekke te trainen en de vliegtuigen vanaf de grond aanwijzingen te geven over potentiële doelwitten.

Een groter probleem is dat oorlogen vanuit de lucht, ook als ze hun doel bereiken, vaak chaos veroorzaken. De grote vraag is nu: wat laten we in Libië achter? De oorlog is voorbij, maar de ellende niet. Het gehate regime is verdreven, maar wat krijgen de Libiërs ervoor terug? Eindelijk is Libië vrij, zegt Rasmussen. Maar onze correspondent Gert van Langendonck schreef donderdag over de milities die samen met de NAVO het land hebben bevrijd: ze zijn niet van plan hun wapens of hun machtspositie op te geven.

Wat de toestand nog zorgelijker maakt is dat overal in het land wapens rondslingeren, van automatische geweren tot explosieven (semtex), antitankwapens en luchtdoelraketten. Toen de opstand dit voorjaar nog maar net op gang kwam, waarschuwden deskundigen al dat arsenalen van het regime geplunderd werden. In april luidde Algerije de noodklok, want de wapens kunnen de hele regio destabiliseren. Ze zijn ideaal voor terrorisme, opstanden of de volgende oorlog.

Vooral luchtdoelraketten die van de schouder afgevuurd worden zijn gevreesd. Helikopters en verkeersvliegtuigen kunnen er makkelijk mee uit de lucht worden geschoten.

Vorige maand stuurde Washington enkele tientallen mensen naar Libië om te helpen bij het opsporen van wapens uit de opslagplaatsen van Gaddafi. Maandag riep de Veiligheidsraad Libië en de buurlanden in een resolutie op om de handel in al dat wapentuig tegen te gaan.

Maar het is allemaal erg laat. In de maanden dat de strijd tussen Gaddafi en de rebellen nog woedde, ontstond er een routine, schreef The New York Times onlangs: als de opstandelingen een stad hadden ingenomen, haastten zij zich meteen naar de wapenopslagplaatsen om hun slag te slaan – en zo ongeveer iedereen die belangstelling had kon meedoen. Voor eigen gebruik, of voor de handel.

Juurd eijsvoogel