Sommige geleerden geloven, maar niet in het lab

Martine van Veelen (red.): Geloof in de wetenschap. Bekende hoogleraren over God, wetenschap en hun levensbeschouwing. Buijten & Schipperheijn, 160 blz., € 16,00

Geloof en wetenschap hadden lang een problematische relatie. Maar de laatste jaren zijn ze steeds verder uit elkaar gegroeid. Beide zijn verhuisd én van karakter veranderd, schrijft Robbert Dijkgraaf in het woord vooraf van de bundel Geloof in de wetenschap, die komende week verschijnt. Het geloof is van het publieke naar het private terrein gegaan, het is minder dogmatisch en persoonlijker dan in het verleden. De wetenschap is juist universeler geworden, ze snijdt dwars door culturen en religies heen, maar beseft dat ze veel (nog) niet weet.

Die scheiding van tafel en bed is misschien maar beter ook. Als geloof en wetenschap op elkaars terrein komen, wordt het makkelijk onverkwikkelijk. In 2005 liet de toenmalige minister van Onderwijs, Maria van der Hoeven (CDA) zich positief uit over Intelligent Design, de gedachte dat er sporen van een ontwerp, en dus een Ontwerper, achter het evolutieproces zouden zitten. Dat zou een plaats in het onderwijs moeten krijgen. Tegenstanders zagen er een verkapte poging in om het geloof in een schepping de wetenschap binnen te smokkelen. Inmiddels hebben ook gelovige wetenschappers Intelligent Design opgegeven, omdat het zijn pretenties niet kon waarmaken.

Hoe zit het met het geloof onder wetenschappers? Martine van Veelen, programmacoördinator Geloof en Wetenschap bij ForumC en redacteur van de website www.geloofenwetenschap.nl, voerde per e-mail een enquête uit. Het responspercentage (33) was hoog. Resultaat: 44 procent van de Nederlandse hoogleraren noemt zich atheïst, tegen 14 procent van de bevolking als geheel; 17 procent beschouwt zich als theïst (alle Nederlanders: 24 procent) en slechts 5 procent als ietsist (alle Nederlanders: 37 procent). Driekwart van de hoogleraren vindt dat er binnen de wetenschap geen ruimte mag zijn voor theïstische vooronderstellingen.

Ook veel christelijke hoogleraren zijn die opvatting toegedaan, vooral degenen die in de exacte sector werken. “Levensbeschouwing speelt geen rol wanneer ik op het lab bezig ben”, zegt Cees Dekker, hoogleraar moleculaire biofysica. Hij functioneert er net zo als zijn niet-gelovige collega’s. En natuurkundige Gerard Nienhuis vindt juist het aantrekkelijke van zijn vak dat je daarin bij alle culturele verschillen die er bestaan “vakinhoudelijk nooit fundamentele onenigheden hebt”. Nienhuis noemt het creationisme “een gevaarlijke stroming” – vooral voor zeer orthodoxe gelovigen. Als zij ontdekken dat letterlijke interpretatie van het bijbelse scheppingsverhaal niet houdbaar is, dan zetten ze al gauw het geloof helemaal overboord.

Maar hoe functioneert het geloof dan wel bij deze christelijke wetenschappers? Vooral op een metaniveau, bij voorbeeld bij vragen over bedoeling, zin of bestemming van het leven. Maar “zin en zinloosheid zijn geen wetenschappelijke begrippen, en er valt niets aan te meten”, zegt Nienhuis.

Toch waarschuwen de geïnterviewde niet-gelovige hoogleraren, onder wie Vincent Icke, Herman Philipse en Dick Swaab, dat overtuigingen makkelijk tot intolerantie leiden. Icke: “Hoe meer we de rede gebruiken en hoe minder we gebruikmaken van vastliggende overtuigingen, hoe beter het gaat.” Philipse en Swaab benadrukken dat het leven van de mensheid puur toeval is. Van een bedoeling willen ze niets weten. Blijft toch de vraag knagen of die stelling eigenlijk niet net zo’n geloofsuitspraak is als de bewering van het tegendeel.

Herman Amelink

Martine van Veelen presenteert haar boek op 10 november in de Rode Hoed te Amsterdam. Herman Philipse (Utrecht) en Ard Louis (Oxford) debatteren over: ‘Er is geen bewijs voor God’.