NRC Leesclub - Dick Swaab: ‘Een goede tegenwerping heb ik nog niet gehoord’

NRC Leesclub is vernieuwd. Deze week bijt de Leesclub de spits af met Dick Swaabs controversiële bestseller Wij zijn ons brein.  In de boekenbijlage van vrijdag 4 november besprak Ger Groot het boek van de Franse filosofe Catherine Malabou die kritiek heeft op wetenschappers als Swaab. Lees hieronder de reactie van Dick Swaab en discussieer mee!

Door MARGRIET VAN DER HEIJDEN

Hetzelfde gebouw, glimmend zeil in de gangen, rekje met tijdschriften, glazen luchtbrug. Op het Nederlands Instituut voor Neurowetenschappen lijkt niets te zijn veranderd. Ik had er een kwartier eerder willen zijn. Zodat ik in de auto nog een keer mijn aantekeningen kon doornemen. Mijn slordig neergekrabbelde vragen netjes kon overschrijven.

En net als vorig jaar is dat niet gelukt – zat te denken, sleutels kwijt. Maar geen gehaastheid laten blijken. Geloof ik.

Dick Swaab (66), hersenprofessor en bestsellerauteur, komt al aanlopen. “Kon je het vinden?”, vraagt hij. Hoffelijk houdt hij een trits klapdeuren open. Ook net als vorig jaar. “Het gebouw zit ingewikkeld in elkaar.”

Je kunt niet in andermans brein kijken. Wat ziet hij? Een vrouw van gemiddelde lengte, gemiddelde leeftijd. Denkt hij dat ik een beperkt ruimtelijk inzicht heb, zoals over de gemiddelde vrouw wordt gezegd, en dat ik in ingewikkelde gebouwen dus meteen verdwaal?

Of ben ik vooringenomen? Swaab verrast me in elk geval – net als vorige keer. Door de onverwachte lichtheid die hij met zijn droge grappen aan het gesprek geeft. Terwijl zijn ‘neurocalvinistische’ boodschap in de grond zo ernstig klinkt en zijn boek erover, Wij zijn ons brein, zoveel, soms heftige, reacties heeft opgeroepen.

Vorig jaar was ik hier in juni. Toen was het boek nog niet gedrukt…

“Ja”. Lachje. “Wat zei ik toen?”

Swaab gaf toen een definitie van het neurocalvinisme. Een versoberende visie op de mens. ‘We zijn’, zei hij toen, ‘het product van een mix van genetische informatie, de complexe invloeden in de baarmoeder en, in mindere mate, de ervaringen in onze eerste levensjaren. Daarna is ons karakter gevormd en liggen onze capaciteiten en beperkingen vast. Daar moeten we het verder mee doen.’

Het is in essentie ook de boodschap van zijn boek. In één jaar werden er 240.000 exemplaren verkocht. Het is vertaald in het Duits (Wir sind unser Gehirn) en in het Chinees. En het leidde tot een stroom artikelen op de opiniepagina’s van kranten.

U was de wetenschapper die vanaf de zijlijn kanttekeningen zette bij heersende ideeën, zoals over de maakbaarheid van de mens. Nu zet u zelf de toon…

“Als jij dat signaleert, zal het wel zo zijn. Zelf heb ik niet het gevoel dat mijn positie is veranderd. Mijn vak uitleggen vond ik altijd al belangrijk.”

Maar minstens een kwart miljoen mensen hebben nu uw boek gelezen en gedacht: ja, ja, inderdaad…

Spottend: “Nou, dat al die mensen ja, ja zeiden op mijn boek, heb ik niet gemerkt.” Het is even stil. “Het is wonderlijk dat zoveel mensen het lezen en er zo emotioneel op reageren.”

Vindt u dat gek?

“Wonderlijk. Ik dacht: je kunt schrijven wat je wilt en mensen relativeren het wel. Maar mensen zijn emotioneler dan je denkt. Het was ook nieuw voor me dat hele groepen geëmotioneerd reageerden. Zoals psychologen. Zij zeiden: je mag het brein hebben, maar de geest is van ons.”

Is dat een emotionele reactie?

“Ja, want zo haal je via een achterdeur het dualisme, de scheiding van lichaam (brein) en geest, weer binnen. En dat is onzin, dus kan het niet anders dan een emotionele reactie zijn.

“De filosofen vonden dat de vrije wil hun toebehoorde. Ook emotioneel, ja, want die is niet van hen. Na 2.000 jaar zijn ze nog altijd niet met iets blijvends gekomen.”

“Heb je het stuk van Douwe Draaisma gelezen?”, vraagt hij dan. De Groningse psycholoog verweet Swaab dat die zich buiten het terrein van zijn expertise begaf door te schrijven over recht, politiek, filosofie en religie. Swaab ziet dat anders: “Ik schrijf over de consequenties van de hersenwetenschap op andere terreinen. Die zijn er. En natúúrlijk heb ik zulke hoofdstukken eerst aan experts laten lezen.”

Hij was laatst nog met Draaisma in China, vertelt hij. Beiden promootten daar een boek. Swaab: “Draaisma werd aangekondigd als psycholoog die bovendien over hersenen en filosofie scheef.” Kijkt even. “Toen heb ik maar eens minzaam gelachen.”

Hoe dan ook, zegt Swaab, bij alle kritiek tot dusver zat niks waarvan hij dacht: oh, nou moet ik een hoofdstuk herschrijven. “Natuurlijk kun je aan zo’n boek blijven schaven, maar globaal staat het als een huis.”

U bent stellig; lokt dat kritiek uit?

“Ik schrijf niet zo omfloerst als mensen die bang zijn voor kritiek en van wie je vervolgens niet weet wat ze bedoelen. Maar achter elke duidelijke mening in mijn boek zit heel veel vakliteratuur.”

In mijn tas zitten plaatjes van de hersenen van een dode zalm. In 2009 legde neurowetenschapper Craig Bennett hem onder de MRI-scanner en liet hem, volgens protocol, plaatjes zien van geëmotioneerde mensen. In het dode zalmbrein lichtte een gebiedje op. Er zit ruis in die ingewikkelde meetapparaten, wilde Bennett maar zeggen. En: interpretatie van de gegevens vergt strenge analyses – pas op met stelligheid.

“Leuk”, zegt Swaab. Hij zag de plaatjes niet eerder. Maar hij wil absoluut niet concluderen dat zijn vak door meetonzekerheid wordt gekenmerkt. En hij is het trouwens ook niet eens met de kritiek, zoals van de Utrechtse neuroloog Jan van Gijn, dat al die apparaten slechts een globale inzicht in het brein bieden.

Swaab: “In het algemeen verstaan mensen hun vak. Experimenten worden geverifieerd. En vergeet niet: de hersenwetenschap is multidisciplinair. Critici komen altijd met de MRI-scanner aanzetten om op beperkingen van de techniek te wijzen, maar we kijken ook naar hersenstructuren, naar moleculaire veranderingen in het brein.”

En zo weten we nu dat 100 miljard hersencellen de geest produceren zoals de nieren urine?

“Tegen dat idee heb ik nog altijd geen goede tegenwerping gehoord.” Lachje. “Natuurlijk kun je het verfijnen. Je kunt zeggen dat de geest met veranderingen in synapssterkte samenhangt, met aantallen synapsen, receptoren …”

Het is een favoriete vergelijking van Swaab: de geest met urine. En natuurlijk zijn er bezwaren tegen gemaakt. Urine heeft een simpele chemische formule – dezelfde voor onze voorouders 10.000 jaar geleden als voor ons. Maar nu kunnen we die formule opschrijven, kennen we Rembrandt en Monet, Chopin en The Beatles, iPhones en vliegtuigen, penicilline en democratie. Mensen musiceren, leven langer, reizen… “Ja, en?” vraagt Swaab.

De geest geeft zo mede de menselijke evolutie vorm, schreef onder meer antropoloog André Köbben. Ook die van het brein.

“Daar kun je het over hebben: of dat evolutie is. De mensen die 10.000 jaar geleden grottekeningen maakten hadden hetzelfde brein als wij. Maar het mooie van het brein is dat het methodes heeft om kennis en ervaring neer te leggen. Zo kunnen we op de schouders van onze voorouders staan. Dat leidt tot een technische revolutie. Maar dat is géén evolutie.”

We zijn oermensen in een Ferrari?

“Ja, kijk maar naar oorlogssituaties en de misdaden die mensen dan begaan. En als je mensen heel snel laat reageren tijdens tests, dan blijkt dat iedereen racistische vooroordelen heeft. De oermens zit in ons.”

Hoofdschuddend luistert Swaab naar de vraag of dat oermensbrein geen nieuwe, extra kenmerken ontwikkeld kan hebben. Erbij. Een van de problemen, zegt hij, is dat mensen zijn boek niet goed lezen. Kennis kun je opdoen, zegt hij. Gedrag kun je bijschaven. Maar je karakter ligt vast. Dát schreef hij, en zo is het.

En nee, hij schreef dus niet dat alles in de baarmoeder is vastgelegd, zoals wel wordt beweerd. “Kletskoek. Ik benadruk het belang van een warm nest vlak na de geboorte. En natuurlijk wordt er later nog heel veel ingevuld. Maar: je mogelijkheden en beperkingen liggen vast. Is je genetische basis niet goed, dan blijf je een pechvogel.”

Eén op de tien mensen is dat. Zo vaak gaat er iets mis tijdens de ontwikkeling van de hersenen. Swaab: “Het is de consequentie van ons grote brein – de ontwikkeling daarvan is zo complex dat ik verbaasd ben dat het zo vaak goed gaat. De maatschappij moet deze consequentie aanvaarden. En dus niet, zoals deze regering doet, sociale werkplaatsen sluiten.”

Je kunt ook zeggen: toch niks aan te verbeteren, laat maar…

Verontwaardigd. “Omdat jij het geluk heb van een goed ontwikkeld brein. Moet je daarom zeggen: Ikke, ikke, en de rest kan stikken?” Is even stil. “Heb je kinderen?”

Ik bedoelde: waarom zegt u ‘moeten’ als die andere interpretatie ook bestaat? Het klinkt bijna van boven opgelegd, transcendent…

Licht docerend. “Het moet omdat de mens is geëvolueerd tot een wezen dat in een complexe maatschappij in gezinnen leeft, heel bijzonder. Mensen kunnen niet functioneren als eenling en dáárom kunnen ze anderen niet laten stikken als ze zelf een goede positie hebben.”

Dat klinkt wetenschappelijk en aannemelijk. Alleen: hoe ver ga je in die ‘zorg’? Sommige beperkingen, schizofrenie, een hersenbeschadiging, zijn overduidelijk. Maar er zijn ook kleine beperkingen, waarvan je je kunt afvragen of ze niet voor een groot deel cultureel gestuurd zijn. Niet goed stil kunnen zitten (jongens op school), geen goed ruimtelijk inzicht hebben (meisjes).

“Natuurlijk zit dat in de genen”, zegt Swaab.

Maar als je op zulke stellige gedachten het onderwijs inricht, de rechtspraak baseert, beroepskeuze stuurt, loop je dan niet het risico dat je een deel van de mensen onnodig tekort doet? Omdat die inzichten wellicht later toch zullen wankelen? Ik heb een voorbeeld opgezocht. In 1915 zei neuroloog Charles Dana dat een op de vier vrouwen, wegens hun zwakke geestkracht en gebrekkig logisch denkvermogen, waanzinnig zou worden door de beoogde invoering van het vrouwenkiesrecht.

Swaab lacht.

Goed dat hij geen gehoor kreeg?

“Nou, een op de vijf vrouwen heeft een psychische aandoening. Dus.” Lacht weer. “Maar ja, een op de vijf mannen ook.”

Stephen J. Gould maakte tegen Dana bezwaar omdat die ‘ten onrechte als een innerlijke grens markeerde wat van buitenaf was opgelegd.’ Bent u nooit bang ten onrechte grenzen te trekken?

“Ik trek in mijn boek geen grenzen.”

Indirect wel als u op grond van breinkennis stellig adviseert over onderwijs, recht en dergelijke…

Licht verontwaardigd. “Ja, we weten bijvoorbeeld dat de prefrontale cortex nog tot het vierentwintigste jaar in ontwikkeling is. Hersenen functioneren anders in de puberteit en pubers hebben meer kans om uit de bocht te vliegen. Daarom zeg ik: breng de leeftijdsgrens van het jeugdstrafrecht omhoog. Haal hem juist niet omlaag, van 18 naar 16 jaar, zoals nu het plan is. Vind je dat verkeerd?”

Ik probeer iets anders: mijn eigen vakgebied. De natuurkunde. Met deeltjesversnellers hebben fysici atomen ontleed tot op het kleinste niveau van quarks en gluonen. Maar die kennis schiet tekort om uitspraken te doen over, bijvoorbeeld, de druk die een gas uitoefent. Druk ontstaat pas uit het samenspel van gasmoleculen. Druk is ‘emergent’.

“Ik zie het bewustzijn ook als emergent”, zegt Swaab. “Als het product van het samenspel van miljarden neuronen in een aantal hersengebieden. Het staat in mijn boek.”

Maar is de neurowetenschapper Swaab die de geest wil begrijpen, niet een beetje zoals de deeltjesfysicus die op basis van elementaire deeltjes, vergeefs, de luchtdruk wil bepalen? En dan hebben we het nog niet eens over de wisselwerking tussen twee geesten, over hoe je kunt houden van een ander brein, van muziek, hoe je kennis overneemt, je gedrag aanpast. Moet je die zaken, net als drukmetingen, niet overlaten aan specialisten?

Swaab is niet onder de indruk. “Al die zaken kun je terugvoeren op hersencellen, op neuronen. In relaties draait het om empathie. Daar zitten spiegelneuronen achter. Doen die met plezier mee tijdens een ontmoeting, dan leidt dat tot extra dopamine-afgifte in de accumbens – dan vind je iemand aardig.

“Of neem de neuro-esthetiek. Die is er al heel ver in om op neurale gronden te verklaren waarom we iets mooi vinden. Schilderijen van Rembrandt. Muziek van Chopin.” Lacht. “Of de Peking-opera zo vreselijk…”

Het verklaart hoe, niet waarom…

“In de loop van de evolutie is de mens gaan musiceren. Muziek stimuleert het groepsgevoel. Dat is een van de antwoorden daarop.”

Ontsnappen lukt niet. Swaab is ruthlessly reductive, meedogenloos reductionistisch. Stellig voert hij alles terug op materie, chemie en overleving. “Klopt”, knikt hij opgewekt.

Ik doe nog één poging. Niet via tekortschietende techniek (de zalm), niet via lacunes in de kennis (à la Dana), niet via beperkte geldigheid ervan (Draaisma), maar via de beperkingen die ook het best ontwikkelde brein heeft. Ik haal psychiater Herman van Praag aan. Het menselijk brein is het voorlopig eindpunt van een evolutionaire ontwikkeling, schreef hij. Niks meer. Waarover we niet eens alles weten. Mensen doen zichzelf tekort als ze dan dat beperkte brein met zijn apenreflexen niet proberen te ontstijgen, maar als maat der dingen nemen. Als richtsnoer voor van alles van muziek tot moraal.

Maar die gedachtelijn kapt Swaab onmiddellijk af. Voor je het weet beland je in discussies over de kwestie: ‘er is meer’ – zo vaag, zo niet concreet, daar kun je niks mee. “Mijn dochter zegt ook: er is meer. Maar als ik vraag: Wat is er meer?, dan hoor ik niks meer.” En hij lacht, een beetje verontschuldigend, alsof hij ook niet kan helpen dat hij weet hoe het zit.

Het was leerzaam. Verhelderend. Net als vorige keer. Hoffelijk gaat Swaab voor naar de lift. Mijn auto staat ergens op de enorme, modderige parkeerplaats achter het Instituut. Ik ben daarnet vergeten op te letten in welke rij ik hem had gezet. Net als vorige keer. Sommige dingen veranderen inderdaad niet.

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Zaterdag 5 november 2011, pagina 8 - 9. U kunt het boek van Swaab en Malabou hier bestellen.