Nieuwsgierigheid als redding

Sociale Psychologie Na de fraude van Diederik Stapel maakt zijn vakgebied de schade op. Collega Carsten de Dreu over mediadruk, data delen en vertrouwen.

Karel Berkhout

Ze zijn even oud, 45 jaar, vlot gepromoveerd en tamelijk jong hoogleraar geworden. Ze behoorden tot de voortrekkers van een talentvolle generatie Nederlandse sociaal-psychologen, die publiceren in vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften. Maar de een, de Tilburgse hoogleraar Diederik Stapel, is afgelopen week definitief ontmaskerd als een wetenschappelijke fraudeur. En de ander, de Amsterdamse hoogleraar Carsten de Dreu, taxeert nu zeer aangeslagen de schade voor zijn vakgebied – als een verzekeringsexpert na een terreuraanslag.

“Ik ben verbijsterd, boos en van slag”, zegt De Dreu over het rapport dat de commissie-Levelt afgelopen maandag publiceerde. Stapel heeft volgens Levelt de onderzoeksgegevens van ten minste 30 artikelen gefingeerd en heeft 14 van de 21 dissertaties die onder zijn begeleiding tot stand kwamen, besmet met zijn verzonnen data. “Je mond valt open als je dit allemaal leest. Dit gaat zo alles te buiten”, zegt De Dreu. “Dit staat zo totaal haaks op de normale praktijk in mijn vakgebied.”

Dat laatste neemt niet weg dat de commissie-Levelt ook kritisch is over de mores in de sociale psychologie. ‘Betreurenswaardig is, tenslotte, de cultuur bij het (sociaal-)psychologisch onderzoek, waar iedereen zijn eigen data bewaart en niet ter beschikking stelt van een openbaar archief’, schrijft Levelt. ‘Archivering en openbare toegankelijkheid van onderzoeksdata maakt niet alleen dit soort datafabricatie beter zichtbaar, zij is tevens een voorwaarde voor zinvolle replicatie en meta-analyse.’

Stapel heeft misbruik gemaakt van de mogelijkheden die bestaan binnen elk systeem dat is gebaseerd op vertrouwen, benadrukt De Dreu: “Maar het rapport van Levelt is heel goed en dus moeten sociaal-psychologen goed gaan nadenken over hun vak.” De Dreu deelt de opmerkingen van Levelt over het beschikbaar maken van data, maar tegelijkertijd signaleert hij een veel breder probleem: “een toenemende neiging in veel wetenschapsdisciplines om snel iets spectaculairs te melden in de media.” Over dit verschijnsel denkt De Dreu al een tijdje na en na enige aarzeling wil hij daarom wel praten over de fall-out van de Stapel-affaire.

“Bij de neutrino’s werden de resultaten onlangs naar buiten gebracht als een verzoek om hulp aan andere wetenschappers, maar dat gebeurde op zo’n manier dat het een echte hype werd. Vorig jaar werd het NASA-onderzoek over bacteriën die van arseen zouden kunnen leven erg snel doorgeprikt” , zegt De Dreu. “Nieuwe onderzoeksbevindingen komen dan snel als definitief over, terwijl het zelfreinigend vermogen van de wetenschap juist tijd nodig heeft en de echt definitieve conclusies vaak jarenlang onderzoek vereisen.”

Op mediagolven surfen ook veelvuldig de sociaal-psychologen, die met hun onderzoeken vaak dicht bij het dagelijks leven blijven. Stapels (nep)onderzoeken naar ‘vleeshufters’ en mensen die racistisch worden van rotzooi leken gemaakt voor populaire media. “Er is inderdaad een zekere hang naar ‘hipheid’ in de sociale psychologie”, erkent De Dreu. “Maar de praktijk is ook dat er aan universiteiten over de hele wereld langdurig onderzoek gedaan wordt dat in de loop van de jaren een genuanceerd beeld geeft van menselijk denken en gedrag, bijvoorbeeld rondom vragen zoals: Hoe gaan mensen om met macht? Hoe staan groepen tegenover elkaar? Hoe ontstaan vooroordelen en stereotypen?”

Over dat laatste publiceerden De Dreu en zijn vakgroep meerdere artikelen, waaronder in 2010 in toptijdschrift Science. Het vermaarde ‘knuffelhormoon’ oxytocine maakt individuen positiever over leden van de eigen groep, was de conclusie van De Dreu. “En daarmee relatief negatiever over andere groepen.” Science vond de conclusies zo interessant dat het onderzoek werd aangekondigd in de persberichten onder embargo van het tijdschrift.

“We kwamen in een soort mediacircus terecht. Ik werd voortdurend gebeld door journalisten”, vertelt De Dreu. “Het was ook heel erg leuk natuurlijk, maar het gaf wel een soort druk. Door de veelheid, en soms door de vragen. Sommige journalisten vroegen: maakt oxytocine racistisch? Nee, dat is natuurlijk een veel te vergaande conclusie en dus moet je de hele tijd op de rem gaan staan.”

Hijgerig

De Dreu ziet twee bronnen van de hijgerigheid: de overheid en de markt. “Het Nederlandse kabinet wil een ‘kenniseconomie’ creëren. De wetenschap moet bijdragen aan de innovatie in Nederland. Dat zet druk op de universiteiten om vaak en snel naar buiten te treden met resultaten waar de kenniseconomie wat aan heeft. In het geval van de oxytocine wordt er al snel gesproken over medicijnen om autistische personen empathischer te maken. Maar de weg naar zulke medicijnen is heel lang, als die er al is.” De Dreu ziet universiteiten onder deze druk ‘hijgeriger’ worden. Een voorbeeld is de Radboud Universiteit die een top-15 bijhoudt van onderzoekers die het vaakst optreden in de media.

De commerciële uitgeverijen, die eigenaar zijn van wetenschappelijke tijdschriften, voeren de druk verder op. “Bibliotheken kopen gezamenlijk abonnementen met korting in, waardoor het rendement van de tijdschriften onder druk staat. Die tijdschriften proberen dat goed te maken door pay-per-view, ofwel betalen voor een afzonderlijk artikel op de website van een tijdschrift”, zegt De Dreu, die zelf in redacties zit van enkele tijdschriften.

Normaal gesproken wordt een artikel pakweg honderd keer gedownload, voor een bedrag tussen de 18 en 32 dollar. “Maar als een artikel wordt gepromoot met een persbericht kan het aantal downloads makkelijk vertienvoudigen”, schat De Dreu. “Dat geeft aan hoe groot het commerciële belang is van een persbericht en van de publiciteit die daarmee wordt gegenereerd.” En daarmee van een aansprekend wetenschappelijk artikel.

Hoe gretig tijdschriften kunnen zijn, ondervond De Dreu afgelopen zomer. Psychological Science, het toonaangevende tijdschrift voor de psychologie, accepteerde begin juli een artikel van De Dreu en zijn vakgroep over het verschijnsel dat mensen onder tijdsdruk geneigd zijn naar rechts te bewegen. “Het is een verschijnsel dat ook van dieren bekend is”, zegt De Dreu. In een bijlage stond een analyse van de penalty’s bij voetbaltoernooien, waaruit bleek dat keepers in zo’n ‘high stake’-situatie vaker naar rechts dan naar links bewegen.

Op een congres in Zweden werden De Dreu en zijn onderzoekers korte tijd later helemaal platgebeld door de internationale media. “Want de persafdeling van het tijdschrift had bedacht dat de penaltybijlage een aardig persbericht was rond het WK vrouwenvoetbal in Duitsland. De twee promovendi hebben ter plekke in de bar een soort perscentrum ingericht en zijn niet meer aan het congres toe gekomen.” Het artikel is pas onlangs beschikbaar gekomen.

Psychological Science behoort tot de tijdschriften die extra gevoelig zijn voor spectaculaire resultaten, zegt De Dreu: “Dat heeft effect op wetenschappers. Je kunt data analyseren met een methode die wat meer uitgesproken resultaten laat zien of met een methode die wat conservatiever is. Je voert dan wel eens gesprekken als: ‘zullen we de meer uitgesproken aanpak doen, want Psychological Science houdt wel van dit soort resultaten’. Zelf geef ik de voorkeur aan een meer behoudende aanpak.”

In deze hedendaagse hogedrukpan staan klassieke wetenschappelijke waarden volgens De Dreu onder druk. “Een publicatie moet worden gewogen in het wetenschappelijk debat. Tijdens congressen, in publicaties van collega’s. Zo heeft een Duitse onderzoeker naar oxytocine onze conclusies over de werking van dit hormoon in een artikel beoordeeld als te vergaand. Dat is precies zoals het debat hoort te gaan bij het bouwen aan de gezamenlijke body of knowledge.”

Een interessante publicatie wordt gevolgd door een onderzoek over een vergelijkbaar onderwerp en dat weer door een ander, zodat je na vele jaren een reeks onderzoeken hebt. “Die kun je dan naast elkaar leggen en onderwerpen aan een meta-analyse. Welke resultaten zijn bevestigd? Welke zijn zo afwijkend dat de conclusies daaruit terzijde gelegd moeten worden”, zegt De Dreu. “Die meta-analyses zijn heel belangrijk maar de belangstelling in veel media ervoor is gering.” En daarmee de neiging van wetenschappers om die meta-analyses te doen.

Informatiemonopolie

Maar de hijgerigheid verklaart volgens De Dreu niet hoe veelschrijver Stapel tot zijn fraude kon komen: “Dat is van zo’n totaal andere orde.” Stapel ‘verzamelde’ zijn data zelf, analyseerde zelf en kon door zijn informatiemonopolie en manipulaties collega’s en promovendi zijn verzonnen tabellen als echt verkopen. “Het is moeilijk voor te stellen dat zoiets mogelijk is”, zegt De Dreu.

Want normaal gesproken werken onderzoekers in een team, met een hoogleraar of universitair hoofddocent die verantwoordelijk is, een postdoc of promovendus die het onderzoek trekt en student-assistenten die de data verzamelen. Zo werd voor het oxytocine-onderzoek een groep van acht mensen geformeerd – het zogeheten ‘O-team’.

In een aantal vergaderingen ontstond het idee om de Nederlandse proefpersonen Hollandse, Arabische en later ook Duitse namen voor te leggen en te vragen naar een positief of negatief oordeel. Een groep proefpersonen kreeg een neusspray met oxytocine, een controlegroep kreeg een neusspray met een placebo. “De studenten die het onderzoek deden wisten niet wat er in de flesjes neusspray zat en kenden ook niet doel van het onderzoek”, zegt De Dreu.

Het onderzoek werd gedaan in het ‘lab’ in de kelder van het universiteitsgebouw. “Ik kom zelden in het lab en eigenlijk voel ik me soms een beetje schuldig dat ik dit monotone werk helemaal overlaat aan de studenten”, zegt De Dreu: “Maar ik kan daardoor wel zeggen dat ik me met het verzamelen van data nooit zelf bezig houd.”

Pas op een vrijdagmiddag in december 2009 werd Dreu gebeld door de promovendus met de mededeling: de oxytocine-data staan in de computer. De Dreu ontsloot de bestanden met zijn code en bekeek toen voor het eerst met de promovendus de resultaten: “We zagen al snel dat we wat te pakken hadden.”

Het manipuleren van data is in zo’n onderzoeksopzet bijzonder lastig, denkt De Dreu, door de scheiding van de rollen van de betrokkenen. Je kunt een extra waarborg inbouwen door niet de promovendus of postdoc maar een niet-betrokken student-assistent het onderzoek in het lab te laten leiden. “Dat betekent dat ik twee parttime student-assistenten erbij moet nemen. Dan kan ik een promovendus minder aannemen. Dat betekent minder nieuw onderzoek en minder publicaties, terwijl een concurrerende onderzoeksgroep die extra studentenassistenten misschien niet aanstelt. Ik denk dat je over dit soort keuzes landelijke afspraken zou kunnen maken”, zegt De Dreu.

Bovendien moeten laboratoria gecontroleerd worden en zullen wetenschappelijke tijdschriften auteurs niet alleen moeten vragen om een verklaring, maar moeten zij ook steekproeven doen. “Dat levert veel kostbare bureaucratie op”, denkt De Dreu, “waarvan ik me afvraag of dat echt helpt om fraude te bestrijden.”

De Dreu ziet dan ook meer in het openbaar maken van data: “Natuurlijk moet je collega’s je data geven voor toetsing en nieuwe analyses. Onlangs heb ik veel tijd gestoken in het toegankelijk maken van mijn data voor een Amerikaanse collega, die deze heeft gebruikt om een nieuwe analysetechniek te illustreren. Daarover is onlangs een publicatie van hem – zonder mij – verschenen.”

Zo’n collega is ook een concurrent, want de wereld van de wetenschap is heel competitief en heel internationaal. “Ik concurreer met vakgenoten op Harvard en in China, die ongeveer dezelfde dingen doen.” Dat roept de vraag op: hoe maak je data beschikbaar? “De Nederlandse database van DANS is behoorlijk toegankelijk, maar elders in de wereld gebeurt het op een manier dat een buitenstaander er geen chocola van kan maken, of wordt helemaal niets openbaar.”

De vraag is dus ook: wanneer ga je die data openbaar maken? “Als je echt klaar bent met die data, maar dat kan wel tien jaar duren”, zegt De Dreu. Zo kreeg De Dreu een ingeving om met data die hij al jaren niet had bekeken, een hypothese over innovatie te toetsen. “Ik vond dat groepen in organisaties met een gemeenschappelijk doelstelling inderdaad meer innoveren, maar alleen als teamleden elkaar inhoudelijk uitdagen .”

Dat leverde in 2006 een mooie publicatie op in Journal of Management. De Dreu: “Stel dat ik data al had vrijgegeven en mijn collega’s op Harvard hadden plotseling hetzelfde idee gekregen, maar dan net wat eerder. Dan hadden zij die mooie publicatie gehad, met mijn kostbare, moeizaam verzamelde data. Bovendien zal je, als je echt afscheid hebt genomen van je data, minder geneigd zijn om te kijken of er misschien nog iets anders interessants uit te halen is.”

Wat moeten wetenschappers dan wel doen doen om de waarden in de wetenschap te handhaven en te herstellen? De Dreu neemt een kleine aanloop: “De beste wetenschappers worden gedreven door nieuwsgierigheid en eerzucht. Ik ben zelf nieuwsgierig en ik wil bij de internationale top horen. De mensen die ik aanneem moeten ook nieuwsgierig en eerzuchtig zijn.”

Maar Stapel, zegt De Dreu, was alleen maar eerzuchtig: “Hij was niet nieuwsgierig en dus geen wetenschapper.”

Nieuwsgierigheid is de waarborg van de wetenschap tegen hypes en fraude, zegt De Dreu: “Nieuwsgierigheid drijft niet alleen je eigen onderzoek voort, maar maakt ook dat je je collega’s kritische vragen blijft stellen: hoe kom je daar precies aan, leg het me eens uit, laat het eens zien. Wat wij nodig hebben is dat we nieuwsgierig zijn, blijven en nog veel meer worden.”

    • Karel Berkhout