Keuze in Noord-Afrika: sharia of sharia light

In Egypte, Tunesië en Libië moet worden gekozen tussen sharia en sharia light. De islam als de maat der dingen of verweven in de democratie.

Iets anders is er niet, schrijft Hamed Abdel-Samad.

De democratie is nog nooit voortgekomen uit het moederlichaam van een godsdienst, maar heeft zich bijna altijd tegen de wens van de religieuze autoriteiten in moeten vestigen. Kiest Noord-Afrika na het hoopvolle signaal van de revolutie weer voor de onvrijheid? Het is te vrezen.

Heeft de NAVO de weg vrij gebombardeerd voor de sharia in Libië? Heeft de groentehandelaar Bouazizi zichzelf verbrand, zodat in zijn geboorteland Tunesië de islamisten de macht konden grijpen? Zijn miljoenen Egyptenaren de straat opgegaan, zodat uiteindelijk de militairen en de Moslimbroeders de macht kunnen delen? Is de Arabische Droom van vrijheid en democratie nu uitgedroomd? Je zou op al deze vragen met ‘ja’ kunnen antwoorden. Maar de situatie is veel gecompliceerder.

Wij zien in Noord-Afrika een natuurlijke ontwikkeling in postrevolutionaire tijden. Eerst komen de kwalen van de samenleving naar buiten die onder de dictatuur tientallen jaren verborgen zijn gebleven. De een verlangt terug naar de tijd van het despotisme, toen alles voorspelbaarder was, de ander omarmt haastig het eerste het beste alternatief dat zich uitkristalliseert. En omdat in de drie landen nog niet veel te kiezen is, aarzelen de mensen nu tussen sharia en sharia light. De een wil de islamitische wetgeving integreren in democratische structuren, de ander wil dat de sharia van het begin af aan de maat van alle dingen wordt. In beide gevallen is de sharia een Trojaans paard, dat het hele vernieuwingsproces tot stilstand kan brengen en deze landen eeuwen terug kan werpen.

Is de islam überhaupt verenigbaar met de democratie? Het antwoord moet duidelijk ‘nee’ luiden. In het kielzog van de euforie over het uitbreken van de Arabische revolutie hebben velen de bevrijdingsbeweging veel te vroeg geïnterpreteerd als een teken dat islam en democratie elkaar niet uitsluiten. Maar deze waarnemers weten blijkbaar weinig over het wezen van de islam en over het wezen van deze revolutie. Die vond niet plaats dankzij, maar ondanks de islam. Vóór en tijdens de opstand riepen religieuze geleerden in Egypte, Bahrein, Libië, Syrië en Marokko de eigen bevolking op niet aan de demonstraties deel te nemen, omdat deze ‘onislamitisch’ zouden zijn en tot een splijting van het land zouden kunnen leiden. Ook oppositionele islamisten als de Moslimbroeders hebben aanvankelijk afstand bewaard – totdat duidelijk werd dat de dagen van de dictatuur waren geteld. Pas toen vertoonden zij zich op straat en probeerden ze de beweging voor zich in te nemen. Om de sympathie van de jonge mensen te winnen, praten ze de laatste tijd zelfs over democratie. Maar de democratie is nog nooit uit het moederlichaam van een godsdienst voortgekomen, en heeft zich bijna altijd tegen de wens van de religieuze autoriteiten in moeten vestigen. Het Vaticaan is niet gedemocratiseerd en heeft de democratiseringsbeweging niet aangevoerd, maar is door de Verlichting van zijn macht ontdaan. In de meeste islamitische samenlevingen is van dit soort scepsis tegenover de religie nog geen sprake. Veel Arabieren zeggen dat de godsdienst een deel van de oplossing in deze samenlevingen moet zijn. Ik zeg dat de godsdienst een deel van het probleem is.

De islam is om eenvoudige redenen niet geschikt voor democratie, omdat de islam ervan uitgaat, dat God de wetgever is en over zijn wetten niet onderhandeld kan worden. Dit komt neer op een gelijkstelling van wet en moraal. De democratie ziet daarentegen de mens als wetgever en geeft hem alle vrijheid, zolang anderen daarvan maar geen schade ondervinden. Maar de islam hoeft ook niet geschikt gemaakt te worden voor democratie om de democratie in een islamitisch land mogelijk te maken. Het is voldoende als men de historische context van de Koran begrijpt, zodat men de teksten kan relativeren. Maar zo ver zijn velen in de Arabische wereld nog niet, en degenen die dit wel beseffen, schuwen de strijd.

De meesten zijn weliswaar vóór de rechtsstaat, de scheiding der machten en vrije verkiezingen. Maar over het waarborgen van de individuele vrijheid lopen de meningen uiteen. Ik sprak enige maanden geleden in Kairo met de Egyptische presidentskandidaat en vroegere leider van de Moslimbroederschap, Abd al-Munem Abu Futuh. Hij wees het idee van een Godsstaat van de hand omdat geen mens namens God zou mogen spreken. Hij is geen voorstander van het Iraanse, maar van het Turkse model: een democratie, die respect heeft voor de islamitische traditie en voor de bijzonderheid van Egypte, zoals hij het noemt. Daarom zou hij als president geen ‘ongebreidelde vrijheden’ toelaten, die tegen de islam zondigen. Geen enkele democratie kan overleven die geen acht slaat op de culturele bijzonderheden van een land, meent Abu Futuh. Eenzelfde argumentatie hanteert de leider van de Tunesische partij van de Islamitische Renaissance, Ennahda, Rachid al-Ghannouchi. De streng religieuze salafisten, die met forse subsidies uit Saoedi-Arabië proberen de Arabische wereld in shariastaten te veranderen, denken er heel anders over. Ook de zegevierende leider van de Libische overgangsraad, Mustafa Abd al-Dsjalil, wil niet wachten tot een gekozen parlement het land een grondwet geeft. Hij zegt dat de Koran de toekomstige grondwet van het land zal zijn.

Libië heeft blijkbaar geen andere keuze dan zich te beroepen op de sharia, want het land kende tot de omverwerping van Gaddafi geen grondwet en ook geen politieke instellingen die de contouren van de nieuwe staat zouden kunnen vormgeven. Daarom kunnen de nieuwe machthebbers slechts de grondwet van een Europees land kopiëren of zich beroepen op een wetgeving die door de meerderheid wordt geaccepteerd. De sharia zou voor recht en orde kunnen zorgen, gelooft Abd al-Dsjalil. Hij begrijpt niet dat hij daardoor de ene vorm van onderdrukking inwisselt voor de andere. Een probleem is ook dat in Libië een generatie aan het roer komt, die niets anders heeft geleerd dan vechten: jonge islamisten die nog nooit een baan hebben gehad, maar wel met een machinegeweer hebben rondgelopen. Mensen die in hun leven niets anders hebben geleerd dan te doden, kunnen heel moeilijk worden geïntegreerd in een politiek proces. Zij oefenen slechts druk uit op de overgangsraad, en blijkbaar met succes.

En de NAVO? Wat kan de NAVO in Libië überhaupt nog voor elkaar krijgen? De NAVO heeft een alliantie met de overgangsraad gesloten, zonder mee te mogen praten over de spelregels voor de tijd na Gaddafi. Libië heeft veel aardolie en is niet op samenwerking met het Westen aangewezen. Als de Europeanen vervelend worden, kunnen de Libiërs probleemloos zaken doen met de Chinezen en de Russen.

In Tunesië en Egypte is de situatie anders. Omdat beide staten voor hun inkomsten zijn aangewezen op toerisme en buitenlandse investeringen, kunnen zij zich geen isolement veroorloven. Daarom gedragen de islamisten in Kairo en Tunis zich gematigd en benadrukken ze dat ze niet de invoering van shariawetten, maar louter van shariaprincipes nastreven, te weten: gerechtigheid, solidariteit en het behoeden van de schepping. Dat doen ze uit puur pragmatisme, want ze weten dat de verwachtingen van de jonge Tunesiërs en Egyptenaren enorm zijn. Die willen arbeidsplaatsen, welvaart en geen loze beloften. Daarom hebben de islamisten een dilemma: als ze zich willen losmaken van hun strijdvaardige leuzen en zich in de dagelijkse politiek willen storten, zullen ze compromissen moeten sluiten, waardoor ze voor de massa’s al snel hun heilig aureool zouden kwijtraken. Als zij aan de islamitische wetgeving vasthouden, zeg maar aan het verbod op alcohol en rente, dan schrikken zij toeristen en investeerders af en zullen ze miljoenen arbeidsplaatsen vernietigen. Daarom is het spel van de democratie een val, waarin de islamisten kunnen trappen.

Om deze reden vind ik het beter dat de islamisten deze verkiezingen winnen en politieke en economische verantwoordelijkheid voor hun rekening moeten nemen, zodat de massa’s eindelijk zullen begrijpen, dat politiek in naam van God geen stroom van melk en honing teweeg zal brengen. Het zou veel erger zijn, als de liberalen zouden winnen en aan de grote uitdagingen ten onder zouden gaan. Op de puinhopen van dat mislukte experiment zouden de islamisten dan hun projecten kunnen bouwen.

Hamed Abdel-Samad is Duitser van Egyptische afkomst. Hij verbleef maanden op het Tahrirplein. Dit jaar verscheen De ondergang van de islamitische wereld (Contact). Hij doceert aan het Instituut voor Joodse geschiedenis en Cultuur aan de Universiteit van München. © Die Welt.

    • Hamed Abdel-Samad