'Ik ben geworden wie ik was'

Cabaretier én moeder zijn, dat is niet te doen, zegt Sanne Wallis de Vries bij een croque madame. Voorlopig treedt ze niet meer op.

Sanne Wallis de Vries (40) stond niet te springen toen ik haar vroeg voor deze lunch. En ze had al helemaal geen zin om uit te leggen waarom ze geen soloprogramma meer wil doen, geen tournees, geen optredens.

Dat zei ze namelijk begin dit jaar in deze krant. Haar aangekondigde afscheid was nogal een verrassing, voor haar publiek en voor journalisten. Het ging toch goed? Op haar vijfentwintigste won ze de jury- én publieksprijs op het Leids Cabaretfestival, daarna maakte ze vijf succesvolle solovoorstellingen. Ze werd nog bekender toen ze in de televisieprogramma’s Kopspijkers en Koefnoen zo knap Beatrix en Femke Halsema parodieerde.

Het was een misverstand. Ze zat, zegt ze nu, op haar dieptepunt – hernia, moe – toen ze zei dat ze wilde ophouden. Ze bedoelde dat ze de komende jaren niet meer zou optreden. „Ik wilde rust en tijd om balans te vinden.”

Zeven jaar geleden nam ze zich dat ook al eens voor, toen haar eerste dochter een half jaar was, ze midden in een verhuizing zat en vier avonden per week door het land toerde. Toen beloofde ze zichzelf dat ze dit nooit meer zou doen.

„Op het toneel kun je niet je dag niet hebben of er met de pet naar gooien. Je moet er zijn. Voor een kind dat nog volledig afhankelijk van jou is, moet je er ook zijn.” Ze was er: op het toneel en thuis. Maar van haarzelf bleef niet veel over, zegt ze. Soms wist ze niet meer welke dag het was, welk jaargetijde, welk jaar. „Ik zag een affiche waarop een ‘back to the eighties’-feest werd aangekondigd. Hoezo terug naar de jaren 80, dacht ik. Als iemand me toen had verteld dat het 1985 was, was ik niet verbaasd geweest. En als mijn kind dat nog in de wieg lag de keuken was binnengelopen, had ik het niet gek gevonden.”

Haar tweede dochter werd geboren, ze is nu drie. „Al tijdens de zwangerschap begon er in mijn hoofd een voorstelling te groeien.” Ze belde haar impresariaat. „Ik vroeg: ‘Als ik nou een voorstelling maak, en maar twee avonden per week optreed, kom ik er dan financieel uit?’ Want zo gewiekst ben ik ook. Ik hoef er niet rijk van te worden, maar ik moet er niet op verliezen. Als ik nou geen gekke dingen deed, kon het wel.”

Dat programma werd Kaka Passa. „Ik ken cabaretiers die met elkaar een weekje in een huis in Italië gaan zitten om hun voorstelling eens rustig te overdenken. Beetje pruttelen, lekkere wijn, truffels.” Zij begon te typen als de kinderen sliepen. En hield pas op als haar teksten klaar waren en de kinderen wakker.

Tot begin dit jaar stond ze ermee op het podium. „De voorstelling was goed en financieel kon het.” Maar de prijs voor haar en haar gezin was te hoog. Haar echtgenoot is cameraman en vaak lang weg. „Mijn gezin was aan elkaar geplakt met oppassen.” En zij was eind dertig en eigenlijk voor alles te moe. Daarom zei ze toen dat ze stopte.

Ali B

Wat heeft haar doen besluiten om mijn uitnodiging toch aan te nemen en op maandagmiddag iets na enen de grote eetzaal van Restaurant Amsterdam binnen te lopen? Heel simpel. De Vara zendt vanavond een verkorte versie uit van Kaka Passa. De afgelopen weken heeft ze voor de bijbehorende dvd extra filmpjes gemaakt, samen met Ali B die een liedje van haar rapt. Na afloop van de lunch, als ze zegt dat het gesprek haar is meegevallen, vertelt ze wat ze acteur Arjan Ederveen ooit hoorde zeggen over de omgang met de media: „Ik ga maar weer eens vertellen over mijn dode broers, want ik heb een voorstelling te verkopen.” Maar goed dat ik vooraf niet wist dat ze er zó tegenop zag.

Eenmaal tegenover me, is ze niet argwanend, ook niet terughoudend, hooguit een beetje op haar hoede. Mosgroene ogen, de typische mond met iets omlaag krullende hoekjes. Ze praat snel en associatief. Ze heeft maar een klein tikje nodig om ineens heel ergens anders uit te komen dan ze begon. Alsof ze een mini-conference geeft, waarin alles met alles samenhangt en ze, soms schertsend en dan weer serieus, haar losse gedachten knoopt tot een dikke vlecht.

Zo praat ze over de verbouwing van haar solovoorstelling tot een tv-programma: „Alleen Freek de Jongen en Youp van ’t Hekken worden integraal uitgezonden. Ik niet. De show moest van 100 minuten terug naar 55. Leek me onmogelijk. Er kon niets uit de voorstelling, vond ik. Toch gedaan. Ik. Ik bepaal wat erin komt en wat niet. Na de zomer, toen ik de voorstelling al een half jaar niet meer had gespeeld, zag ik hem op video.” Handen in het haar, blik vol afgrijzen. „Och mens, dacht ik. Hou je mond. Wat erg.” Eén keer moest ze zelf lachen. Bij de passage waarin ze een lelijke, ouwe, dikke man nadoet. „Zo’n vent die dan over een heel mooie vrouw zegt: ‘Daar zou ik het wel op kunnen’. Daar zou ik het wel op kunnen. Die verwrongen kop die ik daar avond aan avond bij heb getrokken.”

Daarna, zegt ze, heeft ze geprobeerd naar haar show te kijken „alsof ik ik niet was”. Toen zag ze het. „Er wordt zoveel in gepraat. Dat is niet te doen. En de haast die ik heb. Hoe weinig ik ademhaal. Ik haak aan bij een energieniveau en laat dat niet meer los. Dat kan iets minder. Even in de buik ademen, Sanne.” Voor het theater kopen mensen een kaartje, die blijven wel zitten. Maar bankzitters op zaterdagavond, zegt ze, die willen gewoon wat leuks zien op tv. Er moesten passages uit, verhaallijnen werden korter. „Dat vond ik een heel volwassen, commerciële beslissing van mezelf.”

Korte onderbreking om iets te bestellen. „Is de croque madame met een eitje? Ja? Dan wil ik die.” Ze kijkt naar mij: „Waar was ik?”

Kaka Passa, zeg ik. Haar vijfde show, de eerste show die ze niet met Selma Susanna maakte. Susanna ontdekte Sanne Wallis de Vries toen ze een twintigjarige student theaterwetenschappen was, die bij haar een Crea-cursus volgde. „Samen zijn wij een schot in de roos, maar we raakten iets te vervlochten. Selma haalt iets uit me wat niemand anders ziet. Mijn gekte trekt zij precies de goede kant op.”

Gekte?, vraag ik. En acuut borduurt ze daarop voort. Wat ze, nu ze zelf moeder is, met terugwerkende kracht zo fijn vindt, is dat háár moeder nooit een probleem maakte van die gekte, ook al begreep ze het niet helemaal. „Met mijn vader deel ik de humor. Rollen bij ons de tranen over de wangen, zegt mijn moeder: ‘Zo kan ’ie wel weer.’” Met haar beppe, de Friese moeder van haar moeder, deelt ze het gevoel voor drama. Sanne, nu in de rol van haar oma Aaltje, die haar kleindochter Sanne een vingerhoedje geeft. Strekt een bibberende hand uit, met daarin het denkbeeldige geschenk. „Hier kind, neem aan.” Ze wendt zich af, snuit luidruchtig haar neus. In het Fries: „Je kunt het beter van een warme dan een koude hand krijgen, kind.”

Een doodeenvoudig vingerhoedje. En heel veel drama.

„Mijn moeder wou dat ze geweten had dat het een beroep was hoe ik ben.” Sanne Wallis de Vries wappert nu met twee handen voor haar gezicht alsof ze wil voorkomen dat denkbeeldige tranen haar mascara verwoesten. „Mijn eerste voorstelling. Mijn moeder stuurde een kaartje. Ik kreeg het in de kleedkamer. Ik zat net in de make-up. ‘Sanneke’, stond er, want zo heet ik echt, Sanneke. ‘Sanneke, je bent geworden wie je was.’”

„Ze heeft zich vast wel zorgen gemaakt over waar ik zou eindigen, maar ze heeft het nooit laten merken.” Sanne Wallis de Vries, nu in de rol van haar moeder, op tien-minutengesprek bij haar meester op de lagere school. „Heeft ze goede cijfers? Ja? Fijn. Verder ook alles goed? Wat zegt u? Is ze een beetje druk? Wil ik niks over horen. Zo is ze nou eenmaal. Dus het gaat goed. Prima. Dan vind ik dat we klaar zijn.”

Matthijs van Nieuwkerk

Matthijs van Nieuwkerk loopt langs de gedekte tafels in Restaurant Amsterdam, met de redacteuren van De Wereld Draait Door. Sanne Wallis de Vries kijkt en zegt dat ze ook voor zijn programma was uitgenodigd om te vertellen over het waarom van haar afscheid. „Ik heb overwogen er maar echt mee op te houden, omdat het zoveel energie kostte om te ontkennen dat ik stopte.”

Als Matthijs van Nieuwkerk uit beeld is, vraagt ze weer waar ze is gebleven. Kind, zeg ik, druk. „O ja. Ik was een populair kindje. Bij de leraren en de kinderen. Altijd met optreden bezig. Stukjes doen, verkleden, playbackshows. Maar wel geoefend tot ik het perfect kon, hè. Nooit zeiden mijn ouders: ‘Nu even niet, we hebben gasten’.” De meester vond het wel vervelend, dat ze alle liedjes uit de hitparade zong, vooral voor de concentratie van de andere kinderen. „Ik verveelde me. Als extra werk moest ik een werkstuk maken over wereldgodsdiensten. Ik was tien. Het boeddhisme sprak me nogal aan. Dat is de enige keer dat mijn moeder in de lach is geschoten. Daar ben ik lang boos over geweest. Ik kwam thuis en zei: ik word boeddhist. Wat was daar nou grappig aan?”

Een goede cabaretier bedrijft op het toneel geen therapie en een voorstelling is geen dagboek. „Je moet iets te pakken krijgen wat daarboven uitstijgt. Iets wat optreedwaardig is.” Ze weet, zegt ze, hoe ze een show moet maken die goed gevonden wordt. „Beetje dit erin dan is die blij, beetje zo en dan vindt NRC het ook goed.” Ze is, zegt ze, een critics darling. „Altijd geweest. Alleen de Gaykrant heeft eens iets onaardigs geschreven. En dat ging over een try out.”

Eigenlijk had ze in haar show ook de columns willen vlechten die ze elke week voor Radio 1 maakt. Korte stukjes over de crisis, het milieu, de banken. „Maar mijn regisseur, Geert Lageveen, vond het er niet in passen. Sanne Wallis de Vries moet als uitgangspunt haarzelf hebben, vond hij. Het moet gaan over mijn leven, met een man en kinderen en de keuzes die ik moet maken. En over verlangens en dromen, die niet stoppen na de geboorte van een kind. Daarmee zeg ik iets over de wereld. Van micro naar macro. Maar het is ook erg Sanne Wallis de Vries om het over de crisis te hebben.”

Ze is, zegt ze, weer in balans aan het komen. Geen soloshows doen, betekent niet dat ze niet werkt. Ze heeft een rol in de jaarlijkse familievoorstelling van het Ro-theater (ze speelt de moeder van hoofdrolspeler Gijs Naber). Ze spreekt commercials in (ze is de stem van Albert Heijn). Ze geeft stand-upcomedyles aan studenten van theateropleiding THOPSS. „Raoul Heertje van de Comedy Train, waar ik ook bij zat, zegt altijd: ‘Ga maar staan en vertel een grap’.” Zij vindt: schrijf eerst op wat je wilt vertellen. Zo werkt ze zelf ook. Haar show moet eerst op papier, pas dan kan ze het podium op. „Lenette van Dongen en Brigitte Kaandorp beginnen juist op het podium. Om te zien wat het publiek wil horen en wat niet.”

Nu ze het er toch over heeft, aan haar volgende show wil ze alleen beginnen, zonder regisseur. „Niet iemand die meteen aanslaat als ik iets zeg. Zo van: ‘O, je bedoelt zeker...’ Nee. Ik wil in een lege ruimte staan. Witte vellen papier. Wachten tot de herrie uit mijn hoofd is. En dan kijken wat er gebeurt.”