Het wereldwijde web van 'Government Sachs'

Auteur: William D. CohanTitel: Money and PowerUitgeverij: Allen LaneISBN: 9781846144998, 658 pagina’s, €14,99

‘Goldman Sachs regeert de wereld.’ Weet u nog? Die uitspraak van een zekere Alessio Rastani op BBC News. De man werd er opgevoerd als onafhankelijk beurshandelaar. Maar zijn interview bleek een farce. Niet zozeer omdat de man de waarheid niet vertelde – hij verwoordde precies wat velen dachten. Wel omdat hij een ordinaire aandachttrekker bleek te zijn, een amateur die wel eens in aandelen handelde.

Zijn optreden werd een hit op YouTube. Ook omdat het de rol en positie van Goldman Sachs in de kijker zette, een zakenbank die in 1869 haar deuren opende als een kleine familiezaak van Joods-Europese immigranten en anderhalve eeuw later is uitgegroeid tot een van de meest in het oog springende iconen op Wall Street.

Die invloed van Goldman Sachs – door critici ook wel ‘Government Sachs’ genoemd – is geen mythe. Het is een realiteit. Dat blijkt uit het boek Money and Power van financieel journalist William D. Cohan. Al heeft de bank jarenlang moeten vechten om die macht in handen te krijgen.

Voor Joodse bankiers was het begin vorige eeuw zo goed als onmogelijk om grote concerns die geleid werden door invloedrijke figuren als Andrew Carnegie en John D. Rockefeller naar de beurs te brengen. De financiële elite in New York, die toen nog vooral gedomineerd werd door ‘blanke Angelsaksische protestanten’, schrijft Cohan, liet dat niet toe.

Pas in 1906, toen Goldman Sachs er bij wijze van toeval in slaagde om de (eveneens Joodse) warenhuisketen Sears een officiële notering te bezorgen, begon dat taboe stilaan weg te ebben. Vanaf toen ging de reputatie van de zakenbank er erg snel op vooruit. En niet alleen op Wall Street.

Politieke invloed had de bank al zeer vroeg ‘in de genen’, schrijft Cohan. Henri Goldman, zoon van één van de oprichters van de bank, pleitte al in 1913 voor een krachtige en stabiele Federal Reserve Bank van New York. Hij wou af van de perceptie dat om geld vragen bij de overheid negatief was.

„Het woord ‘hulp’ moet uit onze geest gebannen worden”, zei hij. Het was volgens hem normaal dat een bankier, als hij dat nodig vond, geld kon lenen bij de centrale bank. Daarmee legde hij de basis voor de latere Fed-filosofie van lender of last resort: de overheid als ultieme verschaffer van liquiditeit in tijden van nood.

De parallel met het najaar van 2008, toen Henry Paulson als minister van Financiën en voormalig topman van Goldman Sachs de financiële sector in de VS te hulp snelde in het oog van de kredietstorm, is volgens Cohan niet ver te zoeken.

Hij beschrijft ook de ontwrichtende rol die uitging van de zakenbank toen een groepje interne handelaars twee jaar eerder erop gokte dat de huizenzeepbel zou barsten. Die speculatie leverde Goldman in 2008 astronomische winsten op, en zette het mes op de keel van andere financiële spelers zoals Bear Stearns.

De zakenbank – die nooit veel gaf om ‘de belangen van het Amerikaanse publiek’, aldus Cohan – haalde zich daardoor de woede om de hals van miljoenen spaarders en beleggers. En verspeelde uiteindelijk ook het politieke krediet dat het in al die jaren had opgebouwd.

In dit uitgebreide portret weet de auteur op zeer accurate wijze te schetsen hoe de ruim 140 jaar oude Amerikaanse zakenbank een gigantisch web wist te spinnen van bevoorrechte relaties en belangen, waarin het uiteindelijk zelf verstrikt raakte. Wel blijft de invloed van het financiële concern op de prijsontwikkeling van grondstoffen – zoals olie of zilver – onderbelicht. En ook de (mogelijk) conflicterende rol van Goldman Sachs als adviseur van diverse Europese overheidsbegrotingen in de aanloop naar de huidige schuldencrisis wordt niet behandeld.

Het zijn de enige lacunes in een boek dat voor te rest uitstekend weet te vatten hoe Goldman Sachs de voorbije decennia onze wereld heeft beheerst.

Piet Depuydt

    • Piet Depuydt