Gelaten klinkt het: de Talibaan kunnen uit de bosjes komen

Schrijver Arnon Grunberg was te gast bij de Bundeswehr in Kunduz. De militairen controleren hoe het er in de dorpen voorstaat met de bouw van wc’s in scholen. Laatste deel van een tweeluik.

Vrijdagochtend organiseert de Bundeswehr in Kunduz een ‘bijbelontbijt’ voor Duitse militairen. Vrijdag is een feestdag in islamitische landen en de gedachte is dat het voor Duitse militairen die dag ook een beetje feest moet zijn.

Mijn begeleider, Pressefeldwebel (persofficier) Sickmann, wacht samen met mij buiten de kerk tot het gezang voorbij is. „Laatst was hier een bisschop van het leger”, zegt hij. „Er zaten twaalf man. Iedereen zoekt op zijn eigen manier contact met God, maar zoals de kerk dat tegenwoordig doet, is uit de tijd. De kerk, dat is net een telefoonmaatschappij die continu voor storing zorgt.”

Als het gezang voorbij is, betreden we de kerk. Het bijbelontbijt wordt betrekkelijk goed bezocht. „Ze kunnen hier net iets later ontbijten dan in de eetzaal en het is hier net iets lekkerder”, zegt Sickmann: „Ja, je moet zo’n bijbelontbijt verkopen.”

Aan de wand van de geïmproviseerde kerk hangt een grote poster waarop een bijbelspreuk staat: ‘Lucas 18:27 Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.’

Het bijbelontbijt wordt georganiseerd door de dienstdoende dominee en priester, alsmede de dienstdoende psychologen; waar de psycholoog ophoudt en de geestelijke begint, is bij de Bundeswehr onduidelijk.

Na afloop van het bijbelontbijt mag ik mij terugtrekken met de dominee, de priester en de psychologen. De dominee, een ietwat gedrongen man van eind veertig zegt: „Wij beantwoorden zinvragen, de psychologen beantwoorden levensvragen.”

De taakverdeling is duidelijk.

Maar dan nuanceert de dominee: „Het is ook een kwestie van smaak, de een wil naar een leuk meisje.” Hij wijst naar een van de psychologen. „De ander wil liever naar een leuke jongen.” Hij wijst naar zichzelf en de priester.

Ik vermoed dat hij een grapje maakt, maar niemand lacht.

„En er is nog een groot verschil”, zegt de dominee. „Ik heb ambtsgeheim. De psychologen hebben niet onder alle omstandigheden zwijgplicht.”

„Komt u weleens in gewetensnood?” vraag ik.

„Ach, dat is meer iets uit boeken en films. Ik word zelden geconfronteerd met moord en als, dan zou ik zeggen: ‘Ga maar naar de psycholoog.’ Dus ook dat lossen we samen op.”

Om in een oorlogsgebied te beweren zelden geconfronteerd te worden met moord lijkt me net zoiets als in een slachthuis beweren zelden geconfronteerd te worden met slachting. Maar net als in een slachthuis bestaat hier regelmatig de verplichting om te doden en dan heet moord geen moord meer.

Op een geïmproviseerd terras dat uitkijkt over het kampement zit Oberstleutnant (luitenant-kolonel) Kuhn, een vijftiger met een bril die eveneens op de Balkan heeft gediend. Hij is verantwoordelijk voor de veiligheid in een gebied van vijftig bij zeventig kilometer in de buurt van Kunduz-Stad.

„Eigenlijk is dit een Amerikaans project”, zegt Kuhn, „gebaseerd op een Amerikaans idee. Namelijk dat democratieën elkaar niet aanvallen. Dat zijn we nu tien jaar aan het proberen.”

Het komt er moedeloos uit. Tien jaar blijven proberen. Zoals een Nederlandse schrijver ooit tegen me zei: „Als de mens een auto was, was hij al lang uit de productie genomen wegens fouten in de hardware.”

Maar zo is de mens, hij blijft het hardnekkig proberen, zelfs als het gaat om de verspreiding van democratie in Afghanistan.

Ik laat het magische jaartal 2014 vallen, het jaar dat de NAVO vermoedelijk zal vertrekken.

„Ja, dat is moeilijk”, zegt Kuhn. „Enerzijds moedig je de insurgents aan om te zeggen: we slaan ons er nog even doorheen en dan zijn ze weg. Anderzijds zet je president Karzai het mes op de keel en zeg je: binnenkort moet je het toch echt zelf doen, jongen.”

Hij kijkt even om zich heen naar de Pressefeldwebel alsof hij wil weten of hij dit wel mag zeggen. Het mag. „In Duitsland interesseert alleen een elite zich nog voor deze oorlog”, zegt Kuhn. „De rest heeft geen idee.”

„Is dat geen gevaar voor de democratie?” vraag ik.

„Een groot gevaar”, zegt Kuhn. „De elite moet de wil van de ongeïnformeerden volgen. Ik geloof in onderwijs, niet alleen in Afghanistan. Europa moet in onderwijs investeren. Anders hebben we over honderd jaar een groot probleem.”

De Europeanen als de Afghanen van de toekomst: met die gedachte neem ik afscheid van Kuhn.

’s Avonds wordt in iets wat veel op een klaslokaal lijkt de missie voor de volgende dag uitgelegd. Zeven Duitse militaire voertuigen zullen naar de dorpen Alchin en Imam Sahib gaan om daar te controleren hoe het ervoor staat met de bouw van wc’s in scholen.

De commandant van de missie maakt duidelijk wie het bevel overneemt als hij onverhoopt wordt uitgeschakeld. Hij gaat het rijtje af en eindigt met de woorden: „Wie er dan nog over is, neemt het bevel over.”

Wederom klinkt het moedeloos.

Een van de militairen kijkt mij aan en zegt: „De laatste keer dat ik pers bij me had, knalde het.” Zou hij denken dat de pers ongeluk brengt?

Pressefeldwebel Sickmann heeft geen last van dergelijk bijgeloof, hij heeft het regelmatig over „onze kameraad van de pers”. Ik denk op die momenten aan een lied dat mijn vader weleens zong: ‘Ich hatt’ einen Kamaraden/ Einen bessern findst du nit.’

De volgende ochtend verlaten zeven Duitse militaire voertuigen het kampement om de Duitse toiletten voor Afghaanse kinderen te inspecteren. De dorpen Alchin en Imam Sahib liggen niet ver van de grens met Tadzjikistan. We rijden eerst door Kunduz-Stad: een levendige stad, levendiger dan Kabul, en na ruim een uur rijden komen we aan bij Combat Outpost Fortitude, een buitenpost van de Amerikanen. Vervolgens gaan we te voet verder naar de school van Imam Sahib.

De toiletten worden achter de school gebouwd. Er is een kuil gegraven van ongeveer vijf kubieke meter en er staan muurtjes waar de wc’s moeten komen. De aannemer is een goedverzorgde man in traditioneel Afghaans gewaad. De directeur van de school is iets magerder en iets minder goed verzorgd, hij draagt ook geen traditioneel Afghaans gewaad.

De aannemer zegt trots: „Hier komt een watertank van duizend liter op.”

„Dat houden de muren niet”, zegt Hauptmann (kapitein) Mildenbergen, een militair die iets van bouwkunde weet en die daarom is meegegaan. Er worden foto’s gemaakt van de toiletten in aanbouw.

Hauptmann Mildenbergen kerft met een zakmes in de stenen om de kwaliteit te testen.

Dan zegt de directeur van de school dat hij nog wat geld nodig heeft voor een muurtje. Een van de Duitse militairen wordt pissig: „Wij bouwen de wc’s, hij moet zelf maar dat muurtje bouwen. Hij zegt dat hier vijfduizend leerlingen op school zitten. Laat hen dat muurtje bouwen, dat is een goede oefening voor hen.”

Onverwachte weemoed overvalt mij. De NAVO rukt met groot materieel uit om te controleren of de toiletten wel goed gebouwd worden. Het is toch anders of je te horen krijgt dat de toiletten geïnspecteerd zullen worden of dat je voor die halfafgebouwde toiletten staat. Als het leger wordt ingezet om te controleren of de toiletten netjes gebouwd zijn, moet je wel concluderen dat wij van top tot teen op de nederlaag zijn ingesteld.

De militairen vragen of ik nog iets wil weten. Ik zeg dat ik graag de klaslokalen wil zien.

De meeste klaslokalen zijn aardig bezet, maar in menig lokaal lijkt een leraar te ontbreken. Nergens zie ik boeken, schriften of zelfs maar een pen of potlood.

„We hebben geen geld om boeken te kopen”, zegt de directeur.

„Kunnen alle leraren schrijven en lezen?” vraag ik.

„Alle leraren kunnen lezen en schrijven”, antwoordt hij. „Sommige leraren hebben alleen de lagere school afgemaakt, andere hebben gestudeerd, maar het is nu eenmaal moeilijk om een goede leraar te vinden.”

De directeur biedt ons een lunch aan, maar anders dan de Amerikanen in Irak, die nog weleens bij een sjeik bleven lunchen, slaan de Duitse militairen dit aanbod af.

We gaan te voet terug naar de Combat Outpost. De militairen zijn optimistisch gestemd: er zit vooruitgang in de toiletten op de school van Imam Sahib.

Op weg naar Alchin stopt ons konvooi onverwacht. Een van de voertuigen, een TPZ (Transportpanzer) blijkt pech te hebben. We zetten de weg af met flessen die gevuld zijn met zand en door middel van een touw aan elkaar zijn vastgemaakt. Het kost een tweetal militairen zeker tien minuten om de knopen die in het touw zitten eruit te halen.

Mij valt de ontspannen de sfeer op, zeker in vergelijking met het Amerikaanse leger.

De flanken zijn onbewaakt. Een Duitse militair wijst naar links en zegt: „De Talibaan kunnen zo uit de bosjes komen.” Maar het klinkt gelaten. Zo van: als ze komen, dan komen ze.

Een andere militair zet zijn helm af. „Maak geen foto’s van me”, zegt hij. „Officieel mag dit niet.”

Enkele Afghanen naderen de geïmproviseerde wegversperring, ze lijken boos dat ze niet verder kunnen.

„Wat roepen ze?” vraagt een militair aan de vertaler.

De vertaler zegt: „Die man roept dat Karzai een ezel is.”

Waarop de militair antwoordt: „Als die man Karzai zo goed kent, dan moet hij hem maar adviseren om de westerse mogendheden zijn land uit te zetten.”

Pressefeldwebel Sickmann zegt op gedempte toon: „Dit draagt niet bij aan het goede humeur van de Afghanen.”

De Transportpanzer blijkt niet gerepareerd te kunnen worden. We zullen het dorp Alchin daarom niet aandoen, de toiletten in aanbouw daar zullen niet door ons worden geïnspecteerd.

Wanneer we terugkomen is het bijna tijd voor het avondeten, maar eerst heb ik nog een afspraak met majoor Matthias Kock, een sympathieke dertiger met een lichte huidaandoening op zijn neus. We gaan in een tuin onder een boom zitten; dit kampement kent heuse tuinen.

„Ik ben intercultureel adviseur voor het Duitse leger”, zegt Kock. „Ik heb rechten en politicologie gestudeerd, ik deed onderzoek naar conflictoplossing bij Pasthun-stammen. Zo ben ik de eerste keer als burger in Afghanistan beland. Toen ben ik voor de GTZ [Gesellschaft für Technische Zusammenarbeit - AG] gaan werken, ik heb de weg gebouwd van Chora naar Tarin Kowt. Dat was een project van 26 miljoen. Zo ken ik ook de Nederlanders. Ik heb daar 400.000 amandelbomen gekocht. Een amandelboom heeft alleen een beetje water nodig. Die hebben we gratis uitgedeeld aan de bevolking. Ik heb ook nog een amandelpelmachine voor hen gekocht. De Nederlanders vonden het geweldig en de lokale bevolking ook. Misschien doet die amandelpelmachine het nog.”

De herinnering aan de machine doet de majoor zichtbaar plezier.

„Ik ben teruggegaan naar Duitsland, maar daar verveelde ik me dood. Toen heb ik een contract getekend bij het leger.”

„Wat kunnen jullie nog tot en met 2014 doen?” vraag ik.

„Niet veel”, zegt de majoor. „Als Afghanistan een auto is, dan hebben we hem tegen de boom gereden. Dat ligt ook aan de Afghanen. Ze zijn lui, ze zijn onvermogend, ze hebben last van valse trots. Hun egoïsme en hun onwetendheid moet ik ook nog noemen.”

„Jullie hebben niets fout gedaan?” vraag ik.

„Wij hebben ook wel iets fout gedaan. Wij zaten in een dilemma, we wilden de liefde van de bevolking winnen, dus we hebben ze zakken met geld gegeven zonder te controleren wat er met dat geld gebeurde. We hebben het afleggen van rekenschap niet aangemoedigd. En daarom gaat het. Per dag vliegt veertien miljoen dollar uit Afghanistan in contanten naar Dubai.”

Het is nu zo donker dat ik de majoor bijna niet meer kan zien.

„En wat is het goede nieuws?” vraag ik.

„Als de Talibaan weer terugkomen, en ik twijfel er niet aan dat de Talibaan in de meeste provincies zullen terugkomen, dan zullen ze minder brutaal zijn dan in de jaren negentig. Veel Afghanen hebben gewerkt voor westerse mogendheden. We hebben impact gehad, maar hoe groot die impact is, kunnen we nog niet weten.”

Het nieuws na tien jaar oorlog: de Talibaan winnen, maar het is wel Talibaan light.

„Commandant Rosch [de hoogste Duitse militair in Kunduz - AG] is een uitstekende militair”, zegt de majoor en hij zucht diep. „In de grote vaderlandse oorlog had hij de Russen waarschijnlijk tegengehouden bij Moskou of bij Berlijn. Maar hier hebben we niet zo’n militair nodig, hier voeren we geen vaderlandse oorlog.”

Het duurt een paar seconden voor ik begrijp dat de majoor met „de grote vaderlandse oorlog” de Tweede Wereldoorlog bedoelt.

Bern Schumi is een politieagent uit Stuttgart. Anders dan bijvoorbeeld de Koninklijke Marechaussee in Nederland vallen alle Duitse politieagenten onder Binnenlandse Zaken. Hij is verantwoordelijk voor de training van Afghaanse agenten.

„U bent Nederlander”, zegt Schumi. „Wij leiden hier al tien jaar agenten op. Vanaf de zomer zijn hier enkele Nederlanders. Hun mandaat is zeer beperkt.”

Met zijn handen geeft hij aan hoe groot het mandaat van de Nederlanders is; je hebt een microscoop nodig om het te kunnen zien. „De Nederlanders mogen vrijwel niets. Wij mogen weinig, zij mogen nog minder. En vergeet niet dat de meeste agenten eigenlijk al zijn opgeleid.”

„Bent u bij die trainingen geweest?” vraag ik.

„Ik ben een van de leiders hier, dus ik ben weinig actief betrokken bij de trainingen. Maar ik weet dat de agenten gemotiveerd zijn en dat motiveert de trainers. Als de Afghaanse agenten aan het eind van hun opleiding hun naam kunnen schrijven, dan zie je de dankbaarheid op hun gezichten.”

In de Talibar, een kleine Duitse bar, vloeien het bier en de wijn rijkelijk. De Duitsers mogen in tegenstelling tot de Nederlandse militairen drinken. Dat doen ze met mate maar met een gretige professionaliteit.

Het is mijn laatste avond. Oberstleutnant Fischer drinkt een biertje, ik heb wijn. Er zijn nootjes.

„Wij zijn de nummer drie van de exporteurs in de wereld”, zegt de Oberstleutnant. „Wij moeten overal meekijken, wij moeten overal zijn. Als wij niet overal zijn, worden de grondstoffen duurder en dan wordt onze concurrentiepositie zwakker. Mensen vragen mij weleens: ‘Wat doen jullie tegen de cyberoorlog?’ Maar we zijn allang bezig met een cyberoorlog.”

Ik neem wat nootjes.

„Natuurlijk had Köhler [de vorige Duitse president - AG] gelijk”, zegt de Oberstleutnant, „toen hij zei dat wij hier de economische belangen van Duitsland dienen.”

Ik neem hartelijk afscheid van de Oberstleutnant en de Talibar. Ik zal de bar missen.

Bij de Bundeswehr heb ik minder racistische en seksistische opmerkingen gehoord dan bij het Amerikaanse of Nederlandse leger. En hoewel Pressefeldwebel Sickmann liet blijken dat hij wist dat ik een zoon van Duitse Joden was, behandelde hij me als „een kameraad van de pers”.

Maar met welk NAVO-leger je ook in Afghanistan optrekt, wat je ziet is vrijwel identiek: de bureaucratisering van het groteske. En dat noemen wij oorlog.

Het eerste deel verscheen vorige week in NRC Weekend.