Europa kan het weer niet

Het had de top moeten worden waarop de wereldgemeenschap Europa had kunnen bijstaan bij het oplossen van zijn muntcrisis. De bijeenkomst van de twintig belangrijkste landen van de wereldeconomie, de G20, werd in plaats daarvan een deceptie. De vergadering van de regeringsleiders de afgelopen dagen in het Franse Cannes kwam tot weinig.

De vraag is waarom. Moesten de Verenigde Staten Europa soms te hulp schieten? Of moesten China, Brazilië en andere opkomende landen met hun gespaarde miljarden bijspringen? Dat laatste was wel de bedoeling, al dan niet via het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Maar de risico’s zijn kennelijk te groot.

En het zou ook niet verstandig zijn als Europa dit gezichtsverlies zomaar had aanvaard of er zelfs naar had verlangd. Want wie denkt dat, in het machtsrealisme van de internationale betrekkingen, hulp voor niets komt, is naïef. Wie kan nog, om maar een voorbeeld te noemen, kritiek leveren op het Chinese wisselkoersbeleid als hij tegelijkertijd China om geld vraagt?

De patstelling die tijdens de G20 voortduurde, is vrijwel geheel te wijten aan Europa zelf. De zeventien landen van de eurozone brengen te weinig cohesie op om de eurocrisis zelf op te lossen.

Dat heeft weinig te maken met hun financiële slagkracht. Anders dan de grote woorden over China doen vermoeden, is de economie van de eurozone nog altijd tweemaal zo groot als de Chinese. Het gemiddelde begrotingstekort van de groep van eurolanden is eenderde lager dan dat van de Verenigde Staten en ook de gemiddelde staatsschuld is kleiner dan de Amerikaanse.

De eurozone als geheel is bovendien zowel wat de handels- als wat de betalingsstromen betreft nagenoeg in evenwicht met het buitenland. Er is geen schreeuwend financieel overschot, zoals China dat kent, en geen gapend tekort met een omvang als dat van de Verenigde Staten.

Europa heeft geen gebrek aan financiële middelen, maar aan politieke wil. De betrokkenheid van het IMF bij bijvoorbeeld de Griekse, Ierse en Portugese steunpakketten is al een zwaktebod. Dit fonds is, helaas , nodig omdat vreemde ogen meer dwingen dan de vertrouwde blik van de Europese bondgenoten.

Dat treft nu ook Italië, waarover is afgesproken dat het onder versterkt toezicht komt van het IMF. Dat zal elke drie maanden rapport uitbrengen over de voortgang van de hervormingen aldaar. Niet dat het IMF er macht krijgt, want het leent geen geld aan Italië en heeft dus geen stok achter de deur. Maar de symboliek is duidelijk. Zoals een zwak bestuur van een bedrijf een gewichtig adviesbureau van buiten nodig heeft om harde ingrepen te objectiveren, zo kan Europa blijkbaar niet zonder het IMF.

Het zit de Europese leiders ook niet mee. De Griekse politiek toonde zich deze week van haar meest onberekenbare kant. Premier George Papandreou kondigde eerst een onzalig referendum over het Europese hulppakket aan, om daar, onder buitenlandse en binnenlandse druk, al snel op terug te komen. En vervolgens wankelde zijn positie als leider van het land. De politieke situatie in Griekenland blijft instabiel.

En dan kon president Barack Obama van de Verenigde Staten de afgelopen dagen wel verzuchten hoe moeizaam het allemaal gaat in Europa, hij mag zich erover verheugen dat Silvio Berlusconi ‘maar’ de premier van Italië is en dus niet als gouverneur van een onafhankelijk Californië een besluit van hem kan vetoën.

Dat de G20 zich positief uitlieten over een verhoging van de middelen van het IMF, is een van de weinige lichtpuntjes van de top. Zij het dat de precieze invulling van die belofte is doorgeschoven naar februari 2012. Was er, los van het feit dat de wereldleiders met elkaar in gesprek waren, dan geen enkele conclusie te trekken uit ‘Cannes’? Misschien deze: de eurocrisis moet kennelijk nog veel erger worden voordat zij kan worden opgelost. Tot optimisme stemt dat niet.