Doormodderen

Weer iets raars op de Waddeneilanden. Weer is het dezelfde waarnemer die ermee aankomt. Eerder kwam hij langs met foto’s van konijnepootjes die geen afdrukken in het zand maar op het zand hadden achtergelaten en met een foto van een regenboog die niet deugde – ’t is te ingewikkeld om het hier nog een keer uit te leggen.

Nu stuurde hij foto’s van bandensporen in de modder. ‘Ik neem aan dat de meeste mensen niet vaak door de modder fietsen’, schrijft Maarten Schrama, ‘maar voor biologen op Schiermonnikoog is het dagelijkse kost. De linker foto laat het spoor zien van een fietswiel dat weg slipte in een dun laagje modder. Nu viel mij op dat je op dezelfde plek lang zo snel niet weg glijdt als de modder onder water staat. Dus als zich een plas heeft gevormd. In plassen glij je eigenlijk nooit gauw uit. Ik zit al een tijdje met dit probleem, maar heb er nog weinig mensen iets verstandigs over horen zeggen.’ Hij vraagt om hulp.

Tja. Wie al ‘een tijdje’ rondloopt met een vreemde waarneming zal zijn waarneming wel eens geverifieerd hebben. De voor de hand liggende verklaring, dat de meeste mensen voorzichtiger door modder rijden waarop water staat dan door modder die droog ligt zal dus wel niet opgaan.

De AW-redactie heeft het experiment niet herhaald. Rond Amsterdam zijn niet veel onverharde wegen meer en verder is ook de kwaliteit van de modder er anders. Amsterdam ligt in nogal venig gebied, de bodem bestaat er voornamelijk uit half verteerde plantenresten en die zijn niet zo glijerig. Het fijne slib van de wadden ontbreekt. Vergelijkend slippen was zinloos geweest.

De natuurkunde van ‘t vrije veld van Minnaert, vaste vraagbaak voor problemen in de natuur, bood geen uitkomst. Deel drie behandelt nauwelijks modderkwesties, het interessantst is nog de bepaling van de deeltjessamenstelling van modder met een urineweger. Dat is een soort dompelaartje met de vorm van een dobber die in principe de dichtheid aangeeft van de vloeistof waarin hij te drijven hangt. Hoe ‘zwaarder’ de vloeistof hoe minder diep hij zakt. Als je van modder een dunne pap maakt en daar de dompelaar in brengt zal die in de minuten en uren daarna langzaam steeds dieper in de vloeistof wegzakken. Dat komt doordat de dichtheid (en daarmee de opwaartse druk) van de vloeistof geleidelijk afneemt doordat de modderdeeltjes bezinken – de zwaarste eerst. De fijnste deeltjes blijven het langst zweven. Daaraan is het natuurlijk ook toe te schrijven dat op de kwelders van Schiermonnikoog het fijne slib op het grove zand rust en niet andersom.

Het snelle uitzakken van de grofste deeltjes verklaart ook waardoor een gat in een onverharde weg in de loop van de tijd altijd dieper en groter wordt. Regelmatig staat er immers water in zo’n gat en elke auto die er doorheen plonst slaat water vermengd met zand en slibdeeltjes naar de omgeving. Het water stroom terug, maar de zwaarste deeltjes blijven achter. Bij elke plons is er netto sedimenttransport naar de periferie. Zelfs deze eenvoudige waarneming is niet door Minnaert opgenomen. Hij had niets met modder, de amateuronderzoeker staat er helemaal alleen voor.

Opeens schoot te binnen dat er toestellen zijn die van de glijerigheid van slib gebruik maken. Dat zijn de sliksleeën waarmee, tot een paar decennia geleden, vissers het wad opgingen om fuiken uit te zetten, garnalen te vangen, krabben te pakken en wat dat soort mensen nog meer doet. Zie het plaatje. In Delfzijl en op Schiermonnikoog zijn de sleeën weer in gebruik genomen voor toeristisch vermaak, men houdt er, net als de Duitsers verderop in Greetsiel, sliksleeraces. Schlickschlittenrennen.

Navraag op Schiermonnikoog en in Delfzijl leert dat de sleeën eigenlijk maar één à twee uur per getij zijn te gebruiken, meestal is er te veel of te weinig water voor de sport. In Delfzijl gaat men twee uur na laag water het wad op. In Schiermonnikoog wordt gewacht tot er nog net een film water op de modder staat, dat komt mogelijk op hetzelfde neer. Van belang is dat de weerstand onder het sliksleeën toeneemt naarmate er meer water op het wad staat.

Hier schemert vaag, heel vaag een bevestiging van de waarneming van Schrama. Maar zou er ook een verklaring zijn? Schrama zelf denkt dat benatting van de modder tot gevolg heeft dat de glibberige bovenlaag, die uit de fijnste deeltjes bestaat, snel in suspensie raakt en dat de fietser daarna des te makkelijker met zijn fietswiel doorzakt tot de stroeve zandlaag eronder. Staat de modder min of meer droog dan rust het wiel op de glibberige bovenlaag zelf. Dit is wat ook de AW-redactie het meest logisch lijkt.

Vervelend is dat Arnold Verruijt, emeritus hoogleraar grondmechanica, er niets in ziet. Verruijt is hier al eens eerder opgevoerd als de wetenschapper die proefondervindelijk aantoonde dat een mens niet verdrinken kan in drijfzand. Daarvoor is de dichtheid van ‘quicksand’ te hoog, denk aan de dompelaar. Hij weet echt wel wat modder kan en doet.

Eigenlijk twijfelt Verruijt aan de waarneming. “Het is precies het omgekeerde van wat je verwachten zou.” Als modder droogvalt, legt hij uit, worden de deeltjes door capillaire werking naar elkaar getrokken. De grond wordt daar dus steviger van. En verder is de bodemdruk van een fietswiel, die (heel) ruwweg gelijk is aan de overdruk in de band, met een paar bar zó hoog dat de fietser altijd door de bovenlaag heenzakt, of die nou droog staat of niet.

We stellen vast: hier klopt iets niet.