De vrouw wil geen man zijn

In haar boekje ‘Wat wil de vrouw?’ zoekt Joyce Roodnat een antwoord op die vraag. Een voorpublicatie.

Een vrouw wil geen man zijn. Dat weet iedereen.

Maar zo eenvoudig ligt het niet.

Dat een vrouw geen man wil zijn, kunnen mannen zich niet voorstellen. Het wil er niet in, ze geloven het gewoon niet. Want mannen willen niet alleen beslist geen vrouw zijn – mannen willen vooral nooit geen man zijn.

Ingewikkeld?

Nee hoor, kijk maar hoe er wordt gereageerd als iemand kiest voor de uiterlijke kenmerken van de andere sekse.

Vrouwen die de mannelijke weg bewandelen, hoeven niet op veel begrip of bijval te rekenen. Meet eentje zich mannengedrag aan, dan krijgt ze meesmuilend commentaar: wat een manwijf. Of: nou zeg, díé heeft de broek aan. Of: wil je mijn pik hebben?

Maar is zo’n vrouw zo zelfbewust dat ze, ondanks tegengas en tegengif, toch de man blijft uithangen, dan wekt ze uiteindelijk ontzag.

Vrouwen in mannenpakken. Vrouwen die zich stoer bewegen. Vrouwen die iets wijdbeens lopen. Vrouwen die onderuit gaan zitten, hun kruis lichtelijk geheven. Vrouwen die niet uit hun heupen vooroverbuigen (sierlijk), maar uit hun nek (sterk). Vrouwen die de breedte van hun borstkas accentueren (schouders) in plaats van de diepte (borsten). Vrouwen die ervan uitgaan dat ze in gezelschap sowieso de aandacht mobiliseren – en wie dat nog lukt ook.

Heeft zo’n mannelijke vrouw een harde kop, dan komt ze ermee weg. Ze wil namelijk iets wat iedereen, man of vrouw, zich kan voorstellen. Het kan allemaal en het gebeurt al heel lang.

Willen vrouwen dan best een man zijn?

Nou nee.

Want die vrouw in dat houthakkershemd zorgt er fijntjes voor dat haar vrouw-zijn onmiskenbaar is. De stropdas bij haar herenkostuum laat ze weg, want die doorbreekt de lijn van haar hals. De stropdas is een brug te ver, die is meer iets voor Japanse opgroeimeisjes in schooluniformpjes: dat hoort in de afdeling erotische fantasie en daar gaat dit niet over.

De vrouw in die werkmansbroek vult hem aan met een bos haar (of hout als ze dat heeft) van jewelste. Of met een hemdje van niks. Ze zorgt voor een welgemikt hals-sieraad in de open boord van een overhemd. Een vrouw in smoking draagt pumps.

Marlene Dietrich bewees hoe hels sexy het apenpak kon zijn dat jacquet heet. De pantalon trok de aandacht naar haar fameuze benen (ze waren verzekerd voor een miljoen dollar), in een tijd die twijfelde aan de deugdzaamheid van een vrouw in een mannenbroek. Dietrich maakte duidelijk dat ze de mannelijke identiteit begeert – en dat zoiets de vrouw erotiseert. En het gaat altijd op, tot en met een vrouw in een boxershort.

Maar waarom wordt een vrouw die zich als man gedraagt en/of verkleedt en tegelijk haar eigen sekse uitvent, zo aantrekkelijk gevonden? Het antwoord is eenvoudig. Zij bevestigt de mannenovertuiging dat iedereen in zijn hart een man wil zijn, de vrouwen ook.

Daar kan de man inkomen. Dat dacht hij al.

Het verklaart meteen waarom de keerzijde, de man in vrouwenkleren, een lachertje is. In de filmkomedie Some Like It Hot (1959) doen Jack Lemmon en Tony Curtis zich als vrouw voor en het allerleukste is de uitsmijter van die film: „Nobody’s perfect.” Dat krijgt Jack Lemmon te horen als hij heeft bekend dat hij geen vrouw is, ook al heeft hij een rok aan en een pruik op. Hij is een man! Kijk maar! Hij trekt zijn pruik van zijn hoofd en plant zijn benen van elkaar. Hij trekt nog net niet zijn rok op om de bobbel in zijn onderbroek te laten zien, maar het scheelt weinig.

Geeft niks, is het stoïcijnse antwoord. „Nobody’s perfect.” Einde film.

Waarom is dat zo grappig? Omdat hij, een machoman die verliefd is op Marilyn Monroe, als vrouw wordt geïdentificeerd, ook al is hij nadrukkelijk een man!

Mannen in vrouwenkleren, mannen met make-up, met lipstick en foundation, daar lijkt de grens te liggen. Dat is verraad aan de mannelijke sekse. Hoewel... als het een Schotse rok is, geldt het ineens als reuzemannelijk. Parfum en mascara voor mannen rukken op. Die markeren nu de man die vrouwen leuk vinden.

Alhoewel, overdrijven is niet toegestaan... een vrouwelijke man wekt achterdocht, van mannen maar ook van vrouwen. Mannen voelen zich bedreigd. Vrouwen nemen de vrouwelijke man in eerste instantie niet serieus.

Kunnen vrouwen die mannelijk doen, acceptabel of zelfs aantrekkelijk zijn, de vrouwelijke man is dat niet direct. De vrouwelijke man zal moeten bewijzen dat hij echt een man is, ongeacht of hij hetero is of homo.

Dat een deel van de homoscene de vrouwelijke body language verkiest, heeft dan ook weinig met vrouwen te maken. Homo’s willen geen vrouwen zijn, godbewaarze. Ze overdrijven de vrouwelijke elegantie, kleding, make-up, en vooral de vrouwelijke motoriek. En dat doen ze op een manier die geen vrouw zou willen – tenzij ze een homo imiteert.

Zo laten de homomannen blijken dat ze uitzonderlijke mannen zijn. Ze provoceren. Ze claimen het recht op verschil, het recht op anders zijn dan de hetero’s. Maar wel met behoud van alle macht, kracht, dominantie en heerlijkheden die mannen beschoren zijn en waar zonder ze het leven geen cent waard zouden vinden.

Het zijn heerlijkheden waar vrouwen helemaal niet op zitten te wachten. Want vrouwen eten gretig van twee walletjes, maar ze willen geen man zijn, ook al zien ze de voordelen ervan in.

Moederen

Wat vrouwen willen, willen mannen meestal niet. Dat hoeft ook niet, mannen wordt bijna niets verboden, tot aan moederen toe. Willen ze dat werkelijk, dan wordt hun geen strobreed in de weg gelegd, sterker nog, ze lijken te voldoen aan de moderne tijdgeest, die vaders achter buggy’s waardeert. Maar vroeger kon het ook. Mijn oom Bas liep in 1952 trots door Capelle aan den IJssel – toen nog een dorp in de greep van een zwartekousenkerk – achter de kinderwagen met mijn nichtje erin. Hij werd uitgelachen, het hoorde niet. Maar hij trok zich er niets van aan. Hij vond het nu eenmaal leuk achter die kinderwagen, want hij was een trotse vader. En de klandizie in zijn drogisterij werd er niet minder door. Het hielp natuurlijk wel dat mijn oom Bas ook een vaardig charmeur was – niemand hoefde te twijfelen aan zijn seksuele voorkeur.

Maar nu de vrouwen. Wat willen die?

Wat mannen willen, willen vrouwen ook.

Het is een zo herkenbaar verlangen dat er zelfs een klassiek kinderliedje over bestaat: Daar was laatst een meisje loos, die wou gaan varen...

Duidelijk zie je het ook in het joodse sprookje. Isaac Bashevis Singer beschreef haar in de roman Yentl, de zangeres Barbra Streisand maakte in 1983 de film. Het meisje Yentl wil leren. Maar dat mag ze niet en daarom besluit ze zich voor jongen uit te geven.

En het lukt. Ze worden als man geaccepteerd. Maar het werkt niet. Het matrozenmeisje uit het liedje wordt na twee coupletten verliefd op de kapitein: ‘Ach kapteintje, sla me niet, ik ben uw liefje...’

En Streisands, ook al verliefde, Yentl zingt: Look at how he looks at her,/ Will someone ever look at me that way?

En aangezien het antwoord op die vraag ‘nee’ is, zal ze onherroepelijk haar mannelijke identiteit laten vallen. Want ze hééft liever een man dan dat ze er zelf een is.

In 1918 heeft de Duitse cineast Ernst Lubitsch, de peetvader van de filmkomedie, het antwoord ‘Geen man zijn’ al opgeworpen. Met een film die, inderdaad, als titel had: Ich möchte kein Mann sein.

Lubitsch is de man die Greta Garbo liet lachen in Ninotchka (1939) en haar als comédienne ontdekte – en die dus ook voor altijd afrekende met de mythe dat vrouwen niet grappig zouden zijn en niet zouden weten wat humor is. Maar dit terzijde.

Ich möchte kein Mann sein stamt uit de begintijd van de speelfilm. Hij is een klein uur lang, en dankzij de dvd voor iedereen beschikbaar. Hij speelt zich af in het hupse Berlijn. Lubitsch voert een meisje van een jaar of zestien op. Ze heet Ossi. Ze krijgt op haar kop van haar gouvernante en wordt beknord door haar vader. Ze pokert, ze rookt, ze pikt een borrel en ze stormt door haar statige ouderlijk huis. Ze wil ‘bummeln!’, buldert een tussentitel. Maar het ‘bummeln’ is voorbehouden aan mannen, dat is duidelijk.

Ossi berust daar niet in. Ze laat zich een jacquet aanmeten, vermomt zich en ontsnapt naar een danslokaal.

Eerst heeft ze lol. Vervolgens vindt ze het maar niks, man zijn. Het begint al met die strakke boord. Pfff! En nu ze kan zuipen en hossen, merkt ze dat een man fysiek sterk moet zijn, terwijl haar kracht juist ligt bij verbaal geweld. Bovendien valt ze als een blok voor een man. En die man valt ook op haar.

Ze kussen elkaar en liggen dronken in elkaars armen, de man met het meisje dat hij nog steeds voor een jongen houdt. Dat maakt blijkbaar niet uit, waarmee Lubitsch een doorslaggevende variatie biedt op het meisje loos: Ossi kan én een man zijn én de liefde leren kennen. Wat Ossi’s sekse is, maakt niet uit voor de man op wie zij haar zinnen zette, dat is duidelijk.

En tóch pruttelt ze aan het slot van de film: Ich möchte kein Mann sein – Ik wil liever geen man zijn. En dat hoeft ook niet, de man met wie ze de hele nacht heeft lopen bummeln, ziet het ruim. Hij maakt er geen woord aan vuil: hij zoende een jonge man, en als die jonge man zich ontpopt als een jonge vrouw, wil hij die net zo goed.

Ossi verlangt naar seks en een slippertje, dus iets wat traditioneel voorbehouden is aan mannen. Maar ze geeft desondanks en expliciet te kennen dat zij géén man wil zijn.

Waarom? Niet vanwege de liefde. Die heeft ze als jongen immers al binnengesleept. En die liefde laat zich niet aanzien als iets van romantiek-en-ze-leefden-nog-lang-en- gelukkig.

Ossi zal blijven bummeln, dat is duidelijk. Maar ze wil dat doen als vrouw. Omstuwd door mannen zal ze haar vrouw-zijn uitspelen. Als een libertijn zal ze volledig haar gevoelens volgen, vrijgevochten en uitgelaten. Daarin volgt ze het mannelijke spoor.

Maar ze zal dat schaterend doen, zoals geen man kan schateren – want dan laat hij zich kennen en daar houden mannen niet van.

Ossi kan de autobiografie Life (2010) van Rolling Stone Keith Richards niet gelezen hebben. Maar deze passage zou haar treffen: Keith beschrijft uitvoerig hoe hij verslaafd raakte aan gitaarspelen. Hoe de muziek hem volledig begon te domineren. Hoe hij merkte dat hij geen chick verdroeg als ze tussen hem en zijn gitaar kwam.

Keith Richards voelt zich daar goed bij. Een vrouw zou ongelukkig worden van die monomanie. Een vrouw is heel goed in staat tot een obsessie als die van Keith voor zijn gitaar, maar ze voelt er niets voor om afstand te doen van de rest van de wereld. Een vrouw wil combineren, op elk gebied, praktisch maar ook intellectueel en sociaal. En dat laat ze zich niet afpakken, daarom wil ze geen man zijn.

Bovenstaande tekst is een hoofdstuk uit: Joyce Roodnat: Wat wil de vrouw? Uitgeverij Contact, 92 blz. 7,50 euro. Zie kleineboekjes.nl voor meer antwoorden op deze vraag.