Wij zijn ons brein. Maar wat dan?

Tussen neurologen enerzijds en filosofen en psychologen anderzijds woedt strijd met als inzet het brein. Is dat het onherleidbaar fenomeen ‘bewustzijn’ of niets meer dan een serie stroomstootjes? Van de Franse filosofe Catherine Malabou komt nu een dappere poging alle onderzoeksterreinen met elkaar te verzoenen.

Catherine Malabou: Wat te doen met ons brein? Vert. Jeanne Holierhoek. Boom, 155 blz. €19,95

Nog voordat de bestseller Wij zijn ons brein van Dick Swaab verscheen was er in Amerika al het boek Synaptic Self van de neuroloog Joseph LeDoux met een bijna gelijkluidende boodschap: ‘U bent uw synapsen’. Zo luidt althans de lapidaire samenvatting ervan door de Franse filosofe Catherine Malabou, die in haar pamflet Wat te doen met ons brein? de kloof tussen de medische, menswetenschappelijke en filosofische benadering van fenomenen als ‘hersenen’, ‘brein’, ‘bewustzijn’ en ‘ik-besef’ hoopt te overbruggen.

Dat is geen overbodige zaak, want niet alleen is het terrein van het hersen- en bewustzijnsonderzoek een mijnenveld vol conceptueel en methodologisch ontploffingsgevaar; daarop is in de afgelopen jaren ook nog eens een ware loopgravenoorlog ontbrand. Het ene kamp komt met onderzoeksresultaten, waarvan de relevantie door het andere kamp botweg wordt ontkend. Hersenscans komen op tafel die meteen weer terzijde worden geschoven omdat ze met de hele kwestie van het ‘ik’ niets van doen zouden hebben. Het door de één als onherleidbaar fenomeen aangevoerde ‘bewustzijn’ is voor de ander niet meer dan een bijverschijnsel van meetbare stroomstootjes. Neuropsychologen beschouwen humanistische menswetenschappers als warhoofden die niet kunnen kijken, filosofen de witgejaste onderzoekers als eggheads die niet kunnen denken. Het dodelijkste wapen in die oorlog is waarschijnlijk de wederzijdse minachting voor het métier van de ander.

Dat Malabou, die filosofie doceert in Nanterre en aan de Londense Kingston University, deze impasse tracht te doorbreken, is dan ook een verademing. Ze behoort tot de relatief jongere generatie filosofen van na Derrida, Deleuze en Rancière, die de traditionele alfa-huiver jegens alles wat naar natuurwetenschap riekt als achterhaald beschouwt. Tussen alfa en bèta in zoekt ze naar verbindende ideeën via welke de twee elkaar opnieuw kunnen leren begrijpen en bevruchten.

Pogingen

Maar leidt dat tot iets? In haar aan de Nederlandse vertaling toegevoegde nawoord (het boek verscheen oorspronkelijk in 2004) moet Malabou toegeven dat haar met veel vuur gebrachte voorzetten achteraf gezien nogal vaag bleven en dat de resultaten ervan te wensen overlaten. Dat is niet bemoedigend, maar haar pogingen zijn interessant genoeg om kennis van te nemen. Niet alleen omdat daaraan duidelijk wordt hoe moeilijk de wederzijdse vertaalslag tussen hersenonderzoek en bewustzijnsfilosofie is, maar ook omdat zij haar wetenschapskritiek uitdrukkelijk wenst te verbinden met een politieke visie. Ook wetenschap en politiek staan immers niet los van elkaar. Maar wie te gemakkelijk gebruik maakt van de één op het terrein van de ander, valt maar al te gemakkelijk in de valkuil van de ideologie, zo merkt ze terecht op.

Zo zien we hoe zowel in het hedendaagse management-denken als in de neuropsychologie het denkbeeld van het ‘netwerk’ centraal staat, aldus Malabou. Bedrijven of instellingen zijn niet hiërarchisch meer georganiseerd maar plat, niet statisch meer maar beweeglijk – en in dat horizontale vlak moet elk element (werknemer, baas of tijdelijke kracht) zich voortdurend aanpassen aan wat de veranderende structuur van hem vraagt. Eenzelfde organisatievorm zien we in de hersenen, die in de wetenschap dan ook niet langer met een telefooncentrale of zelfs een computer worden vergeleken, maar met een zich flexibel ontwikkelend organisme.

Problematisch is dat allemaal niet, zolang dit management-idee maar niet op grond van die overeenkomst wordt voorgesteld als iets ‘natuurlijks’, waaraan we ons wel moeten conformeren. Dan wordt de neurowetenschap een ideologisch alibi voor wat in feite een politieke optie is: de keuze voor het gemondialiseerde kapitalisme dat zichzelf vanaf dat moment als de enig begaanbare weg kan presenteren. Dat is des te kwestieuzer omdat de flexibiliteit die binnen dat bestel vandaag de dag van iedere werknemer wordt gevraagd volgens Malabou helemaal niet overeenkomt met wat we inmiddels weten over de flexibiliteit van neurocellen. De verandering die zij onder druk van gewijzigde omstandigheden vertonen komt helemaal niet neer op een eenzijdige aanpassing aan wat ‘van buiten’ komt. Zij behouden in die aanpassing altijd ook iets van zichzelf.

Of – om het in algemenere termen te zeggen – we zijn niet alleen ons brein, maar maken ook ons brein. Het bewustzijn is niet passief tegenover zijn eigen hardware, maar geeft daaraan mede zelf vorm. Anders dan flexibel zou je het plastisch moeten noemen: een term die in het denken van Malabou een grote rol speelt.

Wie in bedrijfsvoering of politiek de term ‘netwerk’ wil gebruiken, moet zich er dus van bewust zijn dat de flexibiliteit die daarmee gepaard gaat helemaal geen willoze aanpassing aan eisen van buiten behelst, aldus Malabou. Een echt netwerk kenmerkt zich juist door ‘plasticiteit’. Voor de ‘flexibele’ werkgever betekent dit dat hij in zijn aanpassingsvermogen ook altijd iets van zichzelf moet kunnen blijven behouden. Dat is in het gemondialiseerde kapitalisme helaas wel anders, aldus Malabou, die geen geheim maakt van haar sympathie voor de ‘anders-globalisten’. Dat is een verdedigbaar standpunt, maar overbrugt het werkelijk de kloof tussen neuro-fysiologisch en filosofisch denken?

Veeleer lijkt Malabou hier kritiek uit te oefenen op een metafoor met politiek-economische consequenties. Want is de overeenkomst tussen hersen- en bedrijfsnetwerk werkelijk groter dan die van een beeld (‘netwerk’) dat op beide kan worden toegepast? Of anders gezegd: zou de uitbuiting van de flexibele werknemer wél geoorloofd zijn als de hersencellen bij nader inzien toch niet ‘plastisch’ maar op de door haar zo gehekelde manier ‘flexibel’ zouden blijken te zijn?

Ook een tweede voorbeeld dat Malabou opvoert leidt tot vergelijkbare problemen. Met de neuroloog Antonio Damasio constateert zij dat ‘het brein neurale configuraties aanbrengt in de circuits van de zenuwcellen en erin slaagt deze neutrale configuraties om te vormen tot de expliciete mentale configuraties’ die Damasio ‘aanduidt als beelden’. Hier zou dus de sprong gemaakt worden van het zuiver neurale naar het mentale, dat wil zeggen: naar het min of meer bewuste denken.

Metaforenmachine

Maar zoals Douwe Draaisma in zijn boek De metaforenmachine al heeft laten zien, roept deze beschrijving een onoplosbaar probleem op. Want hoe je je zo’n ‘beeld’ ook voorstelt (als schilderij, als foto, als film of desnoods als hologram), steeds moet dat ‘beeld’ door iemand gezien worden wil het betekenis hebben. Wie is in dit geval die ‘iemand’ die ‘ergens in de hersenen’ dit beeld ziet?

Komt – met andere woorden – in heel deze gewiekste manier om uit te leggen hoe een zenuw-‘machine’ als de hersenen een bewust waargenomen ‘beeld’ kan voortbrengen niet het oude spook van de homunculus roet in het eten gooien? Zo heette in de middeleeuwse filosofie al het ‘mannetje’ dat in de hersenen het werkelijke bewustzijn zou vormen, maar dat in feite niets anders dan een matroesjka-poppetje avant-la- lettre was.

De dappere poging van Catherine Malabou neurowetenschap en filosofie met elkaar te verzoenen roept dus meer vragen op dan ze antwoorden geeft. Dat maakt dit boek er niet minder interessant op. Het maakt duidelijk dat op de vaststelling ‘Wij zijn ons brein’ strikt genomen alleen maar de reactie kan volgen: ‘Uiteraard: wat had U dan gedacht?’ Geesten bestaan niet, materie is alles wat er is – en van materie zijn dus ook onze gedachten gemaakt.

Maar tegelijk blijkt het eigenlijke probleem daarmee pas te begonnen. Want hoe wij ons die gedachten moeten voorstellen blijft nog altijd een raadsel. Hetzelfde raadsel als voor de schilder die opmerkt dat Rembrandt voor zijn Nachtwacht zo-en-zoveel kilo verf had gebruikt, en maar niet begrijpen kan dat hij daarmee over het schilderij nog maar nauwelijks iets heeft gezegd.

    • Ger Groot