Waarom moet de journalist objectief zijn? Wat 'n onzin!

Seymour Hersh, gevierd onderzoeksjournalist, heeft weinig vertrouwen in de Amerikaanse regering, maar des te meer in de toekomst van de journalistiek. Internet!

Amsterdam 31-10-2011 Onderzoeksjournalist voor The New Yorker en winnaar van o.a. de Pulitzerprijs Seymour Hersh Foto NRC H'Blad Maurice Boyer

De laatste keer dat Seymour Hersh in Nederland was, vier jaar geleden, was hij bang. „Banger dan ik in 45 jaar als journalist ben geweest.” De man die de massamoord door Amerikaanse soldaten in het Vietnamese My Lai in 1968 en de Amerikaanse martelingen in de Abu Ghraib gevangenis in Irak in 2004 aan het licht bracht, vreesde dat president Bush elk moment een nieuwe oorlog kon beginnen, dit keer tegen Iran. Hij schreef erover in het tijdschrift de New Yorker en waarschuwde ervoor in een lezing die hij hier gaf.

Vandaag staat Hersh weer voor een Nederlands publiek. In De Balie in Amsterdam praat hij op een congres over macht en verantwoordelijkheid van de journalistiek. Daar verkondigt hij een nogal idealistische boodschap: „Het is aan journalisten om de wereld te verbeteren. Wij zijn de enigen die het kunnen. Regeringen liegen en maken er een puinhoop van en het is aan ons om te zeggen: dit is verkeerd.”

Na zijn publicaties over de voorbereidingen voor het bombarderen van Iran, werden die niet uitgevoerd. „Ik vind het fantastisch dat anderen zeggen dat het door mijn artikelen komt, maar dat oordeel is aan hen. Bush en Cheney luisterden naar niemand, dus ik heb geen flauw idee.”

Maar al zou er niemand meer naar hem luisteren. Hersh, 74 jaar oud, blijft schrijven en roepen wat er allemaal verkeerd is. „Ik geloof niet in dat belachelijke ethos dat journalisten objectief en neutraal moeten zijn. Je hebt toch een mening?”

Hersh in ieder geval wel. Aan elke politicus over wie hij praat hangt hij een onwelgevallig bijvoeglijk naamwoord. President Obama is „nerveus en timide”, minister van Buitenlandse Zaken Clinton „machteloos” en Dick Cheney, de voormalig vicepresident over wie hij nu een boek schrijft, is „pathologisch”.

Dergelijke waardeoordelen zijn in zijn artikelen overigens niet terug te vinden. In de stijl van het blad waarvoor hij werkt, schrijft Hersh pagina’s lange, feitelijke, verhalende exposés, over militaire en internationale kwesties. Op basis van grotendeels geanonimiseerde bronnen en naar hem gelekte interne documenten, vertelt hij waar de Verenigde Staten de mist ingaan en welke dramatische gevolgen dat heeft. „Ik ben er niet op uit om een paar soldaten die anderen dood maken aan de schandpaal te nagelen, want gemoord wordt er overal. Maar ik wil vertellen waar het voor staat.”

Recentelijk heeft hij zich gestort op het gebruik van drones, de onbemande vliegtuigjes waarmee de VS zonder zelf risico te lopen vijanden uitschakelt, maar ook burgerslachtoffers maakt. „Moraliteit is nooit een factor in wat Amerika doet”, zegt Hersh verontwaardigd.

De combinatie van zijn journalistieke onthullingen en bijna activistische uitlatingen, maken hem weinig geliefd bij de autoriteiten in Washington D.C. Hersh is zelfs eens met een terrorist vergeleken door een van de hoge bazen van het Pentagon, die door zijn onthullingen overigens kort daarna het veld moest ruimen. „Veel journalisten moedigden de president na 9/11 aan om achter de slechteriken aan te gaan. Wij wilden wraak. Dat is onze taak niet.”

Hij bleef na die aanslagen kritisch en onthullend, maar niet uit gebrek aan vaderlandsliefde, wil hij benadrukken. „Mijn ouders waren joodse immigranten die met niets naar Amerika kwamen. Ik kon er studeren en toen ik er achter kwam dat Amerikanen zomaar honderden Vietnamezen vermoorden kon ik erover schrijven. Ik kon twee vingers in de ogen van een vers gekozen president prikken.” Hij gebaart hoe hij met de wijs-en middelvinger van zijn rechterhand Richard Nixon symbolisch pijn deed. „En wat gebeurde er? Ik werd niet in elkaar geslagen, ik werd niet opgesloten. Ik kreeg er prijzen voor. Amerika is een prachtig land.”

Hersh moppert graag over zijn eigen regering. „Ik verwacht altijd het slechtste van ze en ik heb meestal gelijk.” Maar hij is uiterst optimistisch over de toekomst van de journalistiek en dat optimisme heeft maar één reden: internet. Dat zowel een onuitputtelijke bron van informatie als een podium is. „Gevestigde media zijn reactionair. Nu zie je bijvoorbeeld dat ze de Occupy-beweging zoveel mogelijk negeren. Die groep is op zich niet zo interessant, maar de ontevredenheid waar zij voor staan wordt onderschat. Door internet komen we er toch achter wat er speelt.” En met sites als WikiLeaks is het nog moeilijker voor regeringen om hun vuile zaakjes geheim te houden.

Hersh: „Ik zie het ook als hun taak om dingen te verbergen, maar het is de mijne om ze boven tafel te krijgen.” Door geldgebrek is er steeds minder tijd en plaats voor de onderzoeksjournalistiek die hij bedrijft. Maandenlang onderzoek doen om tot één publicatie te komen, kunnen weinig media zich meer veroorloven.De economische malaise heeft volgens Hersh echter ook een positieve kant. „Het is een zegen voor de wereld dat Amerika op dit moment alleen maar geobsedeerd is door zichzelf en de economie. Wij zijn gelukkig minder belangrijk.”

Heeft dat zijn angst voor een nieuwe oorlog in Iran definitief weggenomen? „Ik ben niet zo bang als ik was, maar kijk naar wat Israël nu aan het doen is, en naar dat gekke verhaal over een Iraanse autoverkoper die ambassadeur van Saoedi-Arabië zou hebben willen vermoorden.” Het draagt allemaal bij aan het creëren van een vijandbeeld van Iran. „Er kunnen nog steeds de meest verschrikkelijke dingen gebeuren.”

    • Emilie van Outeren