Van simpel mesje tot trillende aloërandjes

Staan technologieën puur ten dienste van de mens of is er sprake van een wederzijdse afhankelijkheid?

We moeten ons meer bewust zijn van onze rol als katalysator van de evolutie.

Mijn eerste scheermes kreeg ik toen ik vijftien was. Het bestond uit twee mesjes op een simpel metalen staafje. Ik herinner me dat het glad en comfortabel schoor. In de twintig jaar sinds mijn eerste scheerbeurt heb ik vele verschillende scheermessen gebruikt. Vanochtend scheerde ik mezelf met de Gillette Fusion Power Phantom, een stevig scheerapparaat dat doet denken aan een stofzuiger, uitgerust met een batterij, een LED, vijf trillende scheermesjes en een aloërandje. Wat is er gebeurd?

Wie de ontwikkeling van scheermestechnologie over de afgelopen decennia bekijkt ziet direct de overeenkomst met een evolutionair proces zoals we dat kennen in de biologie: 1) Elk nieuw model bouwt voort op de eigenschappen van het vorige model. 2) Succesvolle variaties worden doorgegeven, terwijl onsuccesvolle variaties verdwijnen. 3) De ogenschijnlijk functieloze esthetiek van sommige modellen (die met hun kleurverschil alleen als doel hebben op te vallen tussen de concurrerende modellen), herinnert ons aan de uitbundige staart van een mannetjespauw. 4) De periodiek veranderende kliksystemen voor de mesjes lijken op de biologische immuunsystemen die indringers ervan weerhouden jouw omgeving binnen te dringen. 5) Er worden diverse overlevingsstrategieën getest die naar verloop van tijd mogelijk kunnen uitgroeien tot verschillende soorten – denk aan de recente modellen die zowel met als zonder batterij verkrijgbaar zijn.

Kunnen we de ontwikkeling van het scheermes zien als een evolutionair proces? Een tegenargument zou zijn dat wij mensen een rol spelen in het proces, ‘dus kan het geen evolutie zijn’. Deze redenering is verleidelijk, maar het positioneert mensen buiten de natuur – alsof we op een of andere manier buiten het spel van evolutie staan en de regels niet voor ons gelden. Er is geen reden om te geloven dat dit het geval is: mensen zijn, net als elk ander leven, immers geëvolueerd. Het feit dat mijn scheermesjes afhankelijk zijn van mensen om zich te vermenigvuldigen is eveneens niet zo bijzonder. Hetzelfde geldt tegenwoordig voor veel gekweekt fruit zoals bananen en het merendeel van het vee op onze planeet. Bovendien zien we vergelijkbare symbiotische relaties in ‘oude’ natuur: denk aan de bloemen die afhankelijk zijn van bijen om hun zaden te verspreiden.

Een andere mogelijke tegenwerping is dat mijn scheermesjes niet het resultaat zijn van een evolutionaire ontwikkeling omdat ze zijn gemaakt van metaal en plastic. Onder dit argument ligt de vooronderstelling dat evolutie zich alleen kan voltrekken binnen een bepaald medium: op koolstof gebaseerde levensvormen. Een variatie van deze redenering stelt dat evolutie alleen plaatsvindt als er genen bij betrokken zijn, zoals bij mensen, dieren en planten. Deze manier van denken illustreert een beperkt begrip van evolutie. Waarom zouden we evolutie alleen begrijpen als specifiek voor een bepaald medium in plaats van principe?

In feite is DNA, het onderliggende genetisch systeem van onze soort, zelf een product van evolutie: DNA evolueerde uit het simpelere RNA-systeem als een succesvol medium om leven te coderen. Er is geen reden waarom evolutionaire processen zichzelf niet zouden kunnen overdragen naar andere media. Ik stel dan ook voor om de ontwikkeling van scheermesjes te zien als een feitelijk evolutionair proces. De soort die eruit voortkomt noemen we Razorius Gilletus en dit is slechts één van de vele nieuwe niet-genetische soorten die ontstaan binnen het techno-economische systeem.

Nu we de ontwikkeling van mijn scheermessen zien als evolutionair proces, dringt zich onmiddellijk een vervolgvraag aan: Hoe moeten we onze relatie met Razoritus Gilletus en zijn vele technosoortgenoten zien? Staan deze technologieën puur ten dienste van de mens of is er sprake van een wederzijdse afhankelijkheid? Co-evolueren wij met onze technologie? Zijn wij als bijen – die zichzelf voeden met bloemennectar en in ruil daarvoor pollen verspreiden zodat bloemen zich kunnen voortplanten – op weg naar een symbiotische relatie met de technosfeer die zich voedt van onze arbeid en creativiteit en in ruil daarvoor ons de Razorius Gilletus schenkt? Moeten we trots zijn op onze rol als katalysator van evolutie?

Misschien, maar zoals in elke andere symbiotische relatie, moeten we ook in de gaten houden of beide partijen erop vooruitgaan. Te veel van wat wij ‘innovaties’ noemen zijn slechts gericht op de groei en het welbevinden van de technosfeer – een grotere economie, grotere bedrijven, meer technologische apparaten – in plaats van daadwerkelijk de levens van mensen te verbeteren. Geef toe: de nieuwe scheermesjes van Gillette zijn vooral gemaakt voor Gillette zelf: hogere omzetten, meer winst, grotere aandeelhouderswaarde. De productie van deze, al dan niet overbodige, apparaten kost een ongelooflijke hoeveelheid hulpbronnen en verhoogt daarmee de druk op onze biosfeer – weet je het nog: die oude natuur die ons omringde voordat de technosfeer ontstond? We hoeven ons er niet over te verbazen dat de nieuwe niet-genetische geëvolueerde soorten niet intrinsiek geïnteresseerd zijn in het welbevinden van de biosfeer. Het inademen van schone lucht is niet belangrijk voor Razorius Gilletus; ze heeft een compleet ander metabolisme.

Het bewustzijn van onze rol als katalysator van de evolutie moet groeien. Ik ben benieuwd wat Charles Darwin van de Razorius Gilletus zou heb ben gevonden. Misschien zou hij gewezen hebben op de risico’s van deze evolutionaire sprong. Het is een niet geringe verantwoordelijkheid die ons is toebedeeld. Als we denken ongeschikt te zijn voor de taak, kunnen we misschien beter onze baarden laten staan en terugkeren naar de grotten waar we ooit vandaan kwamen. Een dergelijke poging de klok der beschaving terug te draaien zou echter wel van een zeker lafheid tegenover het onbekende getuigen.

Aan de andere kant: een puur techno-utopische houding van ‘laten groeien’ zal op lange termijn niet in het voordeel zijn van de mensheid, omdat we daarmee het risico lopen ons eigen evolutionaire graf te graven. De meest volwassen houding is het streven naar een balans tussen de afnemende biosfeer en de opkomende technosfeer – tussen oude natuur en volgende natuur. Ik zeg niet dat het eenvoudig zal zijn, maar als we dit voor elkaar krijgen hebben we iets waar we écht trots op kunnen zijn.

Koert van Mensvoort is grondlegger van het Next Nature Netwerk. Hij onderzoekt hoe wij, door de natuur naar onze hand te zetten, een volgende natuur creëren. Een next nature. Dit stuk is een bewerking van een essay uit het boek, dat morgen wordt gepresenteerd.

boek

Next Nature: Nature changes along with us, onder redactie van Koert van Mensvoort en Hendrik-Jan Grievink

ACTAR, 472 blz., €37,50

    • Koert van Mensvoort