Sluimerende onvrede in steenrijk Noorwegen

Noorwegen is dankzij olie- en gasvondsten in betrekkelijk korte tijd steenrijk geworden. Maar rijkdom blijkt niet alle problemen op te lossen. Bovendien, olie en gas raken een keer op. Waarmee gaan de Noren dan de kost verdienen? ‘We kunnen wachten, maar niet eeuwig.’

Tanker ships sit moored in the port at the Mongstad oil and gas refinery, part-owned by Statoil ASA, near Bergen, Norway, on Thursday, Aug. 11, 2011. Statoil ASA, which operates 80 percent of Norway's oil and gas, last month said it was delaying gas sales because of weak markets. Photographer: Heidi Wideroe/Bloomberg Bloomberg

Op de voorpagina van Aftenposten, een van de belangrijkste kranten van Noorwegen, stond afgelopen zomer een grote foto van een blonde man in een blauw pak op de Champs-Elysées in Parijs. De kop: ‘Wij kopen Parijs op’. Wij, dat was hier bedoeld als: wij, Noren.

De man op de foto was Karsten Kallevig, directeur vastgoed van het Noorse oliefonds die net voor ruim 700 miljoen euro aan panden op A-locaties in de Franse hoofdstad had gekocht. En hij was nog maar net begonnen met winkelen. Hij mag – wereldwijd – voorlopig voor 19 miljard euro aan vastgoed kopen. Volgend jaar is Duitsland aan de beurt.

Noorwegen (4,7 miljoen inwoners) is rijk. Dat was het al, maar door de vondst van grote hoeveelheden olie en gas voor de kust eind jaren zestig is het steenrijk – categorie Saoedi-Arabië.

Het is daardoor een land zonder staatsschuld en met een riant begrotingsoverschot van 10 procent. Hoeveel dichter bij een paradijs op aarde kun je komen? Een verzorgingsstaat, doordesemd van sociaal-democratisch gelijkheidsethos. De inkomensverschillen zijn dus klein: (bijna) iederéén is rijk. Een keurige rechtsstaat, met een persvrijheid die in de wereld nauwelijks haar gelijke kent.

De buitensporige rijkdom valt in Oslo niet onmiddellijk op. De stad mist de grandeur van Stockholm of Kopenhagen, die ooit hoofdstad van een imperium waren. Maar wie zijn ogen de kost geeft, ziet al gauw dat Noren echt rijk zijn. Voor de prijs van een eenvoudige maaltijd dineer je in Amsterdam in een toprestaurant.

Toch zien veel gebouwen in Oslo er onverwacht armoedig uit. Ze zijn namelijk zuinig, de Noren. De spanning tussen de nieuw verworven rijkdom en traditionele zuinigheid vormt de kern van diepe politieke conflicten. Geld lost niet alle problemen op.

Toen Noorwegen nog een ‘gewoon rijke’ verzorgingstaat was, begin jaren zeventig, keken Noren vaak naar Nederland. Daar was in de jaren vijftig een grote gasbel gevonden, en de Noren wisten dat hun deel van de zee ook grote hoeveelheden olie en gas herbergde. Ze wilden niet dezelfde fouten maken als de Nederlanders, en gaan lijden aan wat ze ‘de Nederlandse ziekte’ noemen. Dat is: met de gasinkomsten de inflatie aanjagen en het geld verjubelen – met als onvermijdelijke consequentie: op = op.

De Noren wilden het verstandiger aanpakken. Ze namen drie belangrijke beslissingen:

1. De staat hield een stevige greep op de exploitatie van alle olie- en gasvoorraden.

2. Buitenlandse bedrijven die nodig waren voor hun kennis, moesten investeren in de Noorse kennisinfrastructuur, zodat het land een eigen industrie kon opbouwen rond offshore olie- en gaswinning.

3. De opbrengsten voor de staat werden vanaf midden jaren ’90 in het Staatspensioenfonds gestopt dat in het buitenland zou gaan beleggen in aandelen en vastgoed. Dit fonds bezit ruim 1 procent van alle beursgenoteerde aandelen ter wereld.

Die extreme rijkdom is dus betrekkelijk nieuw voor Noorwegen, en de Noren worstelen er nog mee.

Neem de zorg, een van de pijlers van de verzorgingsstaat. Noorwegen kent wachtlijsten voor allerlei behandelingen, en veel Noren vinden dat niet alleen gek in zo’n rijk land, maar ook onacceptabel. Fremskrittspartiet, de meest rechtse partij in het parlement, is een voorname vertolker van dit ongenoegen. Het is ook de partij die Anders Behring Breivik enige jaren tot haar leden mocht rekenen – de man die deze zomer met een bomaanslag in Oslo en een schietpartij op het eiland Utøya in totaal 77 mensen vermoordde,

Vaak staat deze Fremskrittspartiet tegenover alle andere partijen. „Vooral sociaal-democraten hebben grote moeite om uit te leggen waarom ze kleine ziekenhuizen willen sluiten”, zegt Bjørn Hvinden, onderzoeksdirecteur van NOVA, een met het Nederlandse Sociaal en Cultureel Planbureau vergelijkbaar instituut. „Waarom staat er geen groot ziekenhuis in elk dorp? Fremskrittspartiet zegt: waarom leiden we niet meer dokters en verpleegkundigen op?”

Maar zo veel studenten zijn er niet. En het aantrekken van zulke beroepsgroepen uit het buitenland kan in theorie wel, maar het is toch een probleem als je in een dorp in Noord-Noorwegen een dokter uit Irak hebt die je nauwelijks verstaat. Hvinden: „In principe moeten we Noren opleiden om in Noorwegen het werk te doen.”

Rijkdom lost niet alle problemen op. Dat is de les die de Noren moeten leren. Marius Doksheim, econoom en politicoloog verbonden aan de liberale, door de werkgeversorganisaties gefinancierde denktank Civita, constateert dat veel problemen in moderne, complexe samenlevingen te ingewikkeld zijn voor eenvoudige oplossingen. „Veel organisatorische vraagstukken, zoals of ziekenhuizen beter groter kunnen worden of juist niet, zijn eigenlijk deels empirische vragen. Fremskrittspartiet komt niet met duidelijke oplossingen, wel met heldere beschrijvingen van het probleem. Daar scoren ze mee.”

„Een terugkerende vraag is of we te veel van het gasgeld in de economie stoppen, of precies genoeg”, zegt Bjørn Hvinden. „Tijdens de financiële crisis in 2008 is er meer gasgeld uitgegeven om de crisis op te vangen. Dat is gelukt: de werkloosheid is nauwelijks toegenomen. De gemiddelde Noor heeft niet echt een negatief effect van de crisis ondervonden.”

Alle politieke partijen zijn het er wel over eens dat terughoudend moet worden omgegaan met het gas-en oliegeld – met één uitzondering: Fremskrittspartiet. „Mensen vinden dat de regering meer moet doen en sneller maatregelen moet nemen. Waarom duurt alles zo lang, vragen ze zich af. Waarom zijn de wegen in Zweden beter dan in Noorwegen?”

Nu Hvinden een tijdje een gasthoogleraarschap bekleedt in het Zweedse Lund, ervaart hij dat verschil aan den lijve: „In Zweden kun je sneller en veiliger rijden, dus ik vind het wel begrijpelijk dat de Noren niet tevreden zijn. We hebben een net van goede snelwegen en spoorwegen nodig. In Zweden hebben ze dit veel beter aangepakt: daar hebben ze hogesnelheidslijnen aangelegd.”

Waar de Noren wel tevreden over waren, dat was hun onderwijs. Totdat onderzoek waarin prestaties van leerlingen uit verschillende landen met elkaar worden vergeleken liet zien, dat Noorse tieners hooguit tot de middelmaat behoren. Ze blijven achter bij hun Nederlandse, en helemaal bij hun Finse leeftijdsgenoten. Die laatsten horen bij de wereldtop.

„Noorse scholen zijn goed in cultureel begrip, om van leerlingen goede burgers te maken”, verklaart Doksheim. „Maar ze zijn minder goed in wiskunde. Vroeger was links ervan overtuigd dat ‘harde kennis’ niet zo belangrijk was. ‘Leren leren’ zou genoeg zijn – dan krijg je democratie. Men keek neer op stampen: school moest leuk zijn.

Dat is nu wel veranderd. Wiskunde en lezen zijn belangrijker geworden. Geprobeerd wordt het curriculum te hervormen, met meer uren les en meer repetities.” Net als de organisatie van de zorg is dit niet in de eerste plaats een geldkwestie, maar een zaak van ideeën, organisatie en besluitvaardigheid.

Goed onderwijs is belangrijk voor de toekomst van het land. Want olie en gas raken een keer op, de hoeveelheid olie die jaarlijks wordt opgepompt neemt al jaren af. Waarmee gaan de Noren dan de kost verdienen? Doksheim: „Hoge lonen maken productie duur. Maar wat kun je maken dat kan concurreren op een wereldmarkt? Het is geen urgent probleem, maar het moet wel worden opgelost. Het is ook een kwestie van mentaliteit. We moeten ophouden met steeds minder werken. Nu hebben we vijf weken vakantie, we moeten stoppen met streven naar zes.”

Noorwegen kampt ook met een groeiend aantal arbeidsongeschikten, maar is traag met structurele oplossingen. Er is geld genoeg om die mensen allemaal een uitkering te geven. Die traagheid kenmerkt de Noorse verzorgingsstaat.

Doksheim: „De verschillen met Zweden en Denemarken zijn klein. Maar er is één groot verschil: de olie. Zweden en Denemarken hebben de laatste twintig jaar noodgedwongen al veel hervormingen doorgevoerd, Noorwegen niet. Wij kunnen wachten, dat is waar. Maar niet eeuwig.”

    • Dick van Eijk