Rijk

Over Rijk de Gooyer zijn zo oneindig veel anekdotes in omloop dat er nog wel drie bij kunnen. De eerste speelt in Giethoorn, in de jaren zeventig. Op een zonnige dag maakten wij met een klein gezelschap een boottochtje in de punter van Rijk. Op weg naar het Bovenwiede voeren wij tussen rietkragen door een betrekkelijk smalle vaart. Een motorbootje kwam ons tegemoet, op de voorplecht zat een jongen, met alleen een zwembroek aan. Hij had zo’n hagelwit lijf dat het pijn aan je ogen deed.

Ik wist zeker dat Rijk iets zou gaan zeggen. Zoiets als: „Doe iets aan jongen, dit is geen gezicht, dat witte lijf van jou.” Maar hij was subtieler. Toen de boten elkaar passeerden zei Rijk, met die snerpende stem, tegen de jongeman: „Je wordt al lekker bruin, weet je dat?”

De tweede anekdote. Rijk had ons meegenomen naar een hotel in de Ardennen in het plaatsje Lorcé. Toen we ingecheckt hadden, de koffers op onze kamer uitgepakt en ons hadden opgefrist, zoals reizigers nu eenmaal doen, troffen we elkaar in de hal. Tijd voor het aperitief. Rijk gaf onze bestelling op aan een passerende ober en we nestelden ons in de conversatiezaal van het hotel. „Zie je die kast daar”, zei Rijk. We zagen hem. Een reusachtige kast met uitbundig veel houtsnijwerk, een indrukwekkend barok geval. „Nou?” zei Rijk, „niet niks, hè?”

„Geweldig”, beaamden we.

„Nu moet je opletten”, waarschuwde Rijk. Opeens ging de deur van de kast open en een ober stapte naar buiten met onze bestellingen. Het was geen kast, maar een rijk versierde deur.

De derde. Zijn zoon was overgegaan van de vijfde naar de zesde klas. Rijk bracht bij thuiskomst een cadeau voor hem mee.

„Hier, pik...Voor je overgang.” Daarop wendde hij zich naar zijn vrouw en zei: „Jij krijgt niks voor je overgang.”