Met zo'n vriend heeft Lucretius geen vijand nodig

Stephen Greenblatt: The Swerve. How the World Became Modern. Vintage, 368 blz. €27,-

Eerder dit jaar werd de Martinus Nijhoffprijs toegekend aan classicus Piet Schrijvers, de vertaler van De natuur van de dingen van de Romeinse dichter Lucretius (zie ook artikel hierboven). Het is een fenomenale tekst, waarin wordt beschreven dat alle materie bestaat uit atomen, dat de kosmos niet is geschapen, dat de goden niet zijn geïnteresseerd in het menselijk lot, dat bij de dood de ziel in atomen uiteenvalt, dat er geen leven is na de dood en dat mensen zoveel mogelijk moeten genieten van het leven. Lucretius vat zo de ideeën samen van de Griekse filosoof Epikouros (341-270 v. Chr.)

Aanvankelijk werd Lucretius geprezen , maar zijn populariteit zal zijn afgenomen toen in de late tweede eeuw na Christus de literaire en filosofische smaak begon te veranderen. Andere wijsgerige ideeën, zoals het pythagorisme en het platonisme, wonnen aan invloed. Wanneer ergens een bibliotheek moest worden gekopieerd, kregen teksten als die van Lucretius geen prioriteit, zodat ze uit roulatie raakten. In de negende eeuw werd een oud manuscript nog enkele malen overgeschreven, maar een heel populair boek was De natuur van de dingen niet.

Dat veranderde in 1417, toen de Italiaanse geleerde Poggio Bracciolini de tekst aantrof in een Duitse kloosterbibliotheek. In The Swerve vertelt Harvard-hoogleraar Stephen Greenblatt hoe dit in zijn werk ging en hoe het manuscript invloed kreeg. De moderniteit zou zijns inziens in feite zijn gevormd door dit Romeinse gedicht.

The Swerve is een avontuurlijk boek, niet in de laatste plaats doordat de auteur de spanning stevig opvoert door regelmatig af te dwalen. Hij vertelt dus over het werk van de kopiisten, over het Concilie van Konstanz, over de ontdekking van boekrollen in Herculaneum en over het leven van antieke filosofen. Als hij het heeft over de carrière van Poggio, is hij op zijn best. Toch vertoont The Swerve ook ernstige gebreken.

Het eerste is inherent aan de hedendaagse geesteswetenschappen. Greenblatt is gespecialiseerd in de Renaissance, en is daarbuiten merkbaar minder op dreef. Dan vallen de ondoordachte formuleringen meteen op. In een passage over de bibliotheek van Alexandrië staan er bijvoorbeeld vier in één alinea.

Het tweede probleem is de eigenlijke stelling, dat het moderne wereldbeeld is ontstaan door de kennismaking met dit gedicht. Greenblatt erkent dat andere factoren een rol hebben gespeeld, maar noemt ze nauwelijks. De experimenten die het bewijs leverden voor Lucretius’ atomisme blijven zo onvermeld. Greenblatts bewijs is daardoor onvolledig: hij vertelt weliswaar hoe atomisme opnieuw bekend werd, maar legt niet uit waarom het triomfeerde. Daarmee doet hij onvoldoende recht aan de eigen ontwikkeling van de natuurwetenschappen, die de atoomtheorie en hun moderne vorm vermoedelijk ook zonder Lucretius wel zouden hebben gekregen.

De derde moeilijkheid is dat de poëzie van Lucretius vóór 1417 niet zo onbekend was als Greenblatt suggereert. Hij vermeldt bijvoorbeeld niet dat bisschop Isidorus van Sevilla, de auteur van de in de Middeleeuwen razend populaire Etymologieën, herhaaldelijk citeert uit De natuur van de dingen en de atoomtheorie aanvaardt. Rond 1200 biedt de Franse geleerde Pierre de Blois een opsomming van enkele studie-onderwerpen waaruit blijkt dat hij Lucretius heeft gelezen. Greenblatt laat ook hem onvermeld.

Tot slot het vierde en ernstigste probleem: Greenblatts schets van het christendom, dat vijandig tegenover Lucretius’ gedicht zou hebben gestaan. Inderdaad staan Lucretius’ opmerkingen over de afzijdigheid van de goden en het niet-voortleven van de ziel op gespannen voet met de christelijke leer, maar dat belette monniken niet het gedicht te kopiëren.

Greenblatts redenering om te tonen dat ‘het’ christendom toch vijandig stond tegenover Lucretius, is dan ook zwak. Hij beschrijft het literaire leven in Alexandrië, veronderstelt dat dit representatief is voor het antieke literaire leven in het algemeen, gaat gedetailleerd in op de moord op de filosofe Hypatia door christenen, en oordeelt dat deze bewijst dat christenen geen waarde hechtten aan niet-christelijke denkers.

Aan de hand van passages uit diverse kerkvaders illustreert Greenblatt vervolgens hoe diep de christelijke haat tegenover niet-christelijk materiaal zou zijn geweest. De auteurs die hij kiest zijn echter niet representatief voor het pluriforme christendom. De kerkvaders waren verdeeld over de waarde van de niet-christelijke teksten, die ze even vaak bestreden als gebruikten.

Terugkerend naar Lucretius stelt Greenblatt dat de christenen alles deden om de dichter zwart te maken en dat er een ‘grand design’ was om niet alleen het lezen van De natuur van de dingen te ontmoedigen, maar ook om datgene wat eenvoudig en natuurlijk was – dat een mens wil genieten – te presenteren als niet-navolgenswaard. Middeleeuwse christenen zouden hebben gestreefd naar versterving en zelfkastijding. Greenblatt beschrijft het gedetailleerd, met enkele boude claims zonder annotatie, maar geeft nergens aan waarom zijn sensationele voorbeelden representatief zouden zijn.

Hij is op steviger grond als hij de corruptie schetst van het Renaissance-pausdom. De amusante beschrijving van de complexe situatie rond 1417, toen er drie pausen waren en het Concilie van Konstanz poogde orde op zaken te stellen, is accurater dan wat hij meldt over het antieke en middeleeuwse christendom. Alleen: het heeft niets te maken met Lucretius.

De fundamentele fout is dat Greenblatt meent dat de bewijsvoering voor een historische stelling kan bestaan uit het aandragen van voorbeelden. Daarbij gebruikt hij wat in zijn straatje past en laat hij weg wat hij niet kan gebruiken. The Swerve is zo geen wetenschappelijk boek, waarin ook informatie wordt geëvalueerd die de these ondergraaft, maar eerder een soort requisitoir. De aanklacht dat er een ‘grand design’ was om een tekst voor de mensheid verborgen te houden, met het Vaticaan als boosdoener, is leuk als complottheorie, maar beneden het peil van een hoogleraar.

    • Jona Lendering