Je bent vergeefs op aarde, bourgeois dichter

Het muzikale aspect is essentieel in de poëzie van Tonnus Oosterhoff. Klankpatroon en ritme vormen een dans van samenhangen. Maar er komt meer bij kijken.

Nederland - Klein Ulsda - ( Groningen ) - 16-11-2005 Schrijver dichter Tonnes Oosterof. Foto: Sake Elzinga Tonnus Oosterhoff

Tonnus Oosterhoff: Leegte lacht. De Bezige Bij, 59 blz. € 17,50

Leegte lacht is de titel van de zesde dichtbundel van Tonnus Oosterhoff. Wie aan die titel betekenis wil geven, doet er goed aan eerst het motto van de bundel te lezen. Dat motto verwijst naar een uitspraak van het VVD-kamerlid René Leegte, in het dagblad Trouw. Naar aanleiding van de kernramp in Japan vraagt de krant hem ‘Kunnen ook vrachtwagens die op transport zijn met radioactief afval heftige overstromingen aan?’ De geïnterviewde heeft niet echt een antwoord. ‘Leegte lacht: Dat wordt een beetje sciencefiction.’

Oosterhoff is een dichter die bij uitstek oog en oor heeft voor dit soort onverhoedse taaljuweeltjes. In een ‘geschreven gesprek’ met Rutger Kopland stelde hij in 1998 dat het zonneklaar is dat hij nogal vastgebakken zit aan wat hij ‘afwijking in uitdrukkingswijze’ noemt. Ambtelijke volzinnen als ‘We hebben simpelweg de nodige tijd nodig gehad om tot uitkering van de uitkeringen te komen’ waren en zijn nog altijd poëtische grondstof voor Oosterhoff. Daarmee gaat hij dan associatieve verbindingen aan, zoals hij dat in Leegte lacht doet met wettelijke bepalingen in het gedicht ‘Witte blues’.

‘This is a perfect place for the world to end.’

Weer een aanmaning van de Kamer van Koophandel,

waarvan de wet me dwingt lid te zijn. Koeien krijgen

van de wet een vijftien centimeter hoger plafond

op hun tocht naar de slacht. Zo blijft ze de rug heel.

Boze boeren eisen het recht hun velden

onder regenbuien te trekken. Lex dura,

goede wet, goede wet!

Na deze regels volgen nog twee coupletten, waarvan het laatste een poëtische plaatsbepaling lijkt te verwoorden in de regels: ‘Werkelijkheid en wet, twee ogen. / Wartaal is werkelijkheid, wie kijk je aan? / Ik ben, en dan houd ik erover op ook, / verdwaald in de anekdotische woning.’

De dichter is niet de enige die verdwaalt. Een lezer raakt hier, zeker als hij communicatie zoekt, evenzeer de weg kwijt. Het gaat Oosterhoff ook niet om betekenis. „Als je naar Bach luistert, heb je nooit het gevoel dat je er niets van snapt,” zei hij in oktober 2002 tegen Ron Rijghard in Awater. „Dan hoef je die knop die wil begrijpen niet aan.” Luisteren is immers een intuïtief gebeuren, zoals kijken dat bij schilderkunst is.

Het muzikale aspect is dan ook een essentieel element in Oosterhoffs poëzie. Niet het begrip, de betekenis dus, schept coherentie, maar het klankpatroon en het ritme vormen een dans van samenhangen. Het helderste voorbeeld van zulk woorddansen is het vijf pagina’s lange gedicht ‘laatst viel ik viel’. De eerste twee coupletten daarvan luiden:

laatst viel ik viel

(ik) zakte door een slechte plank

(ik) kwam goed maar slecht neer

terecht maar goed

brak niets maar

brak niets

maar alle kinderen verloren

stroomden opeens onderlangs,

ik werd een zak kromme, magere kinderen

ik had niet vallen moeten

De extra spaties fungeren hier als accentaanwijzingen. Het gedicht is dus tevens partituur.

Het mag duidelijk zijn dat de poëzie van Oosterhoff bovenal experimenteel is. ‘Ik ben bang mezelf te herhalen,’ zei hij tegen Rijghard. Maximale diversiteit is dan ook zijn streven. Daartoe lijkt zijn anekdotische woning op z’n Japans met schuifpanelen ingericht. De rangorde van die panelen is willekeurig, en daardoor divers. Oosterhoff zelf gebruikt overigens een ander beeld.

Zijn poëzie schrijven vergelijkt hij bij voorkeur met het intuïtieve werk van een kunstschilder. ‘Ik zet iets op, kijk ernaar, voeg iets toe. Daar heb ik dan geen aanleiding voor. Tenminste, ik kan het niet benoemen.’

Kermisbezoek

Dat klinkt vrijblijvend. Je kunt je ook heel goed afvragen of lezing van Oosterhoffs bundels meer is dan een enerverend kermisbezoek. Vijf minuten roller coaster, even op de cakewalk en het spookhuis in, en dan een suikerspin toe. Leegte lacht biedt, net als de vorige bundels, zeker dit soort vermaak. Maar er is ook een magisch aspect. Zelf houd ik niet van balsporten, maar toch kan ik gefascineerd toekijken hoe een tennisser of voetballer de stuiterende bol tot onvermoede kunsten dwingt. Oosterhoff doet dat met woorden. Zijn verzen tonen elastische taalverrassingen van Olympisch niveau.

Is dat genoeg? Poëzie is een kunstig taalbouwsel, maar taal doet toch bovenal mededelingen? Oosterhoff ontkomt daar soms ook niet aan. Zijn gedichten vertellen verhaaltjes, of uiten zelfs maatschappijkritiek. De dichter woont weliswaar in het isolement van Oost- Groningen, maar ook dat is deel van de gewone wereld.

Dus uit hij op de tweede pagina van zijn bundel al zeer herkenbare irritaties over marketing. ‘De markt. Belt rond etenstijd, / verkracht de brievenbus gratis / met eet- en woonaanbiedingen, / sluipt in met beleggingsvoorstellen, / ligt op schappen in hinderlaag,’

In het drie pagina’s lange vers ‘Poes heeft een godsdienstige inborst’ is dit couplet echter niet meer dan een uitweiding. Poes (buik en rug), muis en een pot visfond zijn de hoofdrolspelers. Een plot ontbreekt; ook hun verhaal is niet meer dan een uitweidende beeldenreeks.

‘Dichters storten zich namens de mensen / in donkere wateren: er is daar iets / ondragelijks dat gedragen moet,’ schrijft Oosterhoff. Het is verleidelijk om in zulke beginregels een verheven poëtisch credo te lezen, maar de dichter helpt ons snel uit de droom. ‘Je bent vergeefs op aarde, bourgeois dichter,’ stelt hij zevenentwintig regels later. ‘Je leeft voor niets / met je argwanend gemompel. Omdat niemand luistert meen / jij dat je respect verdient.’ Twaalf, veertien belachelijke lezers heeft zo’n dichter.

Zelfportret

Het zal niet als zelfportret zijn bedoeld, al lijkt het er ook in werkelijkheid soms op dat dichters als Oosterhoff meer literaire prijzen dan lezers hebben. Maar dat is dan onterecht. Leegte lacht is een doos van Pandora, die bij elke opening blijft verrassen. Hilarische citaten, inventieve associaties, verdwazende uitweidingen, terloopse onthutsingen en ontroering dwarrelen langs. Soms in luchtig pizzicato, dan weer op de klanken van een diep ontstemde trekzak. Kermisvermaak ja, en luidruchtig soms, maar in schilderkunstige zin ook een boeiend kosmorama. En als de dichter zich daarin zelf een plaats heeft gegeven, dan herken ik hem graag in dit anekdotische fragment:

Een haai had een radio ingeslikt.

Door de stand van zijn tanden

was het dier niet in staat deze aan de zee

terug te geven. In elke baai die hij aandeed zong

haai noodzakelijk de liedjes van het land.

Als hij niet gezonken is wordt hij

door het leven nog voortgeroeid.

    • Arie van den Berg