Groene zone rond elke stad voor verbouw eigen voedsel

De afstand tussen boer en consument moet kleiner – geen boontjes uit Kenia. Dit komt ook de kringlopen en de stedelijke ruimte ten goede, betogen Sietz Leeflang en Jan Willem van der Schans.

Zodra de Hedwigepolder in Zeeuws-Vlaanderen onder water komt – de Belgen zijn begonnen met de afbraak van een dijk die cruciaal is voor het drooghouden – is het goed ons te realiseren dat de 300 hectaren landbouwgrond van deze polder getalsmatig niet veel voorstellen. Wat de Belgen ons aan landbouwgrond dreigen af te nemen, raken we in ons land elke 17,6 dagen kwijt.

Volgens het Landbouw Economisch Instituut (LEI) verdwijnen in Nederland zes boerderijen per dag. Dit wordt al veertig jaar, onder kabinetten van diverse signatuur, geregeld door projectontwikkelaars, wegenbouwers, steden-, bedrijfsterrein- en megastalbouwers, recreatiebevorderaars en nieuwenatuuraanleggers. We constateren dit op grond van het laatste Landbouw Economisch Bericht en een FAO-tabel die staat afgedrukt in het herfstnummer van het landbouwblad De Voor van de Amerikaanse landbouwmachinefabrikant John Deere.

Het is nieuw dat een van de grootste internationale bedrijven uit de agribusiness alarm slaat over het verlies van landbouwgrond. Nederland blijkt niet het enige land dat aan de lopende band prima landbouwgrond – zeventien hectaren per dag, 0,3 procent per jaar – verliest. In de tabel lezen we dat China er dagelijks met drieduizend hectaren, de Verenigde Staten met 652 en Frankrijk met 236 op achteruit gaan…

Vervelend voor ons land is dat we niet alleen onze landbouwgrond maar ook onze boeren kwijtraken. Rond 1960 hadden we er nog ruim 270.000, nu amper 68.000 en ook dat aantal vermindert snel. Nu is er bij ons geen sprake van een voedseltekort. De afname van landbouwgronden gaat nog steeds gepaard met intensivering, opvoer van productie in de volle grond en steeds meer productie in kassen. De export van vooral kastuinbouwproducten groeit nog steeds. Maar het betreft productie die net zo afhankelijk is van goedkope olie en aardgas als van schaars wordende fosfaatertsen. Niet alleen de landbouw, maar ook de transportsector en de van veevoerimport afhankelijke bio-industrie kunnen zodanig op kosten worden gejaagd, dat onze voedselvoorziening gevaar loopt. Het importeren van groente en veevoer uit verre landen wordt te duur. Geen boontjes meer uit Kenia, geen varkensvoer uit Zuid-Amerika.

Rekening houdend met dit scenario wordt er gewerkt aan een andere vormen van landbouw, waarbij boeren inzetten op wat wordt genoemd ‘stadsgerichte land- en tuinbouw’. Een andere naam hiervoor is ‘kringlooplandbouw’. Deze zal alternatieven moeten vinden voor de afnemende wereldvoorraad fosfaat. Dat betekent dat de mens zich niet langer buiten de natuurlijke kringloop van deze planeet kan plaatsen: landbouw zonder fosfaten is niet mogelijk. Gelukkig beginnen we te herontdekken dat stedelijk afval, waaronder menselijke mest en urine, natuurlijke bronnen zijn voor de fosfaten die de landbouw dreigt te verliezen. Helaas voeren we deze waardevolle grondstoffen nog dagelijks af via het riool en moeten we het door diverse oorzaken giftig geworden rioolslib zelfs verbranden. Dit is verspilling, zeker nu verantwoorde recycling tot compost mogelijk is, die ook voor aanmerkelijke structuurverbetering van landbouwgrond kan zorgen.

Van de groene banken komen intussen initiatieven voor financiering van stadsgerichte duurzame biologische land- en tuinbouw. De financiering kan in de plaats komen van het succesvolle ‘groene beleggen met fiscale aftrek’, een financieringsmodel dat in 1998 voortkwam uit een initiatief van milieustichting De Twaalf Ambachten. Het groene beleggen werd direct na zijn aantreden afgeschoten door het kabinet-Rutte.

Toch is ook deze regering geïnteresseerd in stadsgerichte landbouw. Niet zozeer vanuit het geschetste kringloopmodel, maar omdat men de ambities voor natuur en recreatie overeind probeert te houden. Staatssecretaris Bleker spreekt van stadslandbouw voor polders zoals die ten zuiden van Rotterdam, de provincie Zuid-Holland spreekt van stadsgerichte landbouw. Ook de markt pikt het op, de belangstelling voor voedsel uit eigen regio neemt toe.

De nieuwe bankfinanciering is gericht op grondverwerving en verkleining van de afstand tussen boer en consument, nieuwe werkgelegenheid en eerlijker inkomen voor onze voedselproducenten. Ze gaat daarbij uit van de waardevastheid van landbouwgrond en wil goede landbouwgronden veiligstellen en goedkoop in pacht geven aan stadsgerichte boerenbedrijven in groene zones rond de grote steden. Daarmee wordt voedselzekerheid verkregen en blijft het landschap rond steden open en aantrekkelijk. Welkom in het eetbare metropolitane landschap van de 21ste eeuw.

Sietz Leeflang is voorzitter van de stichting de Twaalf Ambachten.Dr. Jan Willem van der Schans is onderzoeker duurzame voedselketens, Wageningen Universiteit en Landbouw Economisch Instituut.