Deze 'nazi' roeit al het dierbare uit

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Luuk Gruwez: Deerlijk retour / Krombeke retour. De Arbeiderspers. 248 blz. € 19,95.

De wortels van Luuk Gruwez liggen in het West-Vlaamse Krombeke, dichtbij de Franse grens. Hij stamt af van Regina Gruwez, geboren in 1837, die op haar drieëntwintigste ongehuwd een zoon baarde. Dat bevalt hem wel, dat bandeloze, zoals het hem ook bevalt dat zijn betovergrootmoeder niet kon lezen of schrijven.

Het past bij de Gruwez zoals we hem kennen uit zijn boeken, om zich voor te laten staan op zijn schrijverschap én zich erover te verkneukelen dat Regina analfabete was. Het past ook bij hem om zich in te beelden dat zij een gepassioneerde dame was die echt leefde, terwijl hij het zelf, ‘de allerbraafste telg van heel het geslacht Gruwez’, van zijn ‘vunzige versjes’ moet hebben.

Moet hij een heus bestaan leiden, zoals de wilde Regina, of kan hij volstaan met schríjven over zijn eigen en andermans leven? Dat is de vraag die hij zichzelf in Deerlijk retour / Krombeke retour steeds opnieuw stelt. Het antwoord is steeds dubbelzinnig. Geen wonder, in een familieroman die letterlijk van twee kanten te lezen valt.

De ene helft gaat over de tak uit Krombeke, van vaderskant. De andere helft over de tak uit Deerlijk, van moederskant. Hierbij komen vooral de vier grootouders liefdevol aan bod. De jonggestorven ouders komen in het stuk amper voor. In een brief aan de Krombeekse opa legt Gruwez uit dat een man niet hoort te schrijven. Hij moet echte dingen doen: een huis bouwen, bomen planten, koeien melken, akkers bemesten en zijn vrouw bevruchten. Gruwez moet het vooral van zijn hoofd hebben en niet van zijn ambachtelijke vaardigheden. En van het bevruchten van een vrouw (hij is nu 58) is het ook nog niet gekomen.

Al even moeizaam is zijn omgang met ‘Vadertje Tijd’, die ‘een nazi’ zou zijn omdat hij alles ‘auslöst’ wat dierbaar is. Mensen sterven, huizen vervallen. De schrijver kan zich tegen de tijd verweren door zijn dierbaren in zijn boeken te vereeuwigen en hen van oogkleppen te voorzien, zodat ze hun onvermijdelijke ondergang niet aan zien komen.

Als hij kijkt naar de trouwfoto van zijn opa en oma, dan stelt hij vast dat ze zich toen totaal niet bekreunden om hun oude dag. ‘Hij weet nog niet dat hij zijn laatste jaren in een veelvuldig beplaste pyjamabroek zal slijten. Zij gaat nog niet gebukt onder de kennis dat zij elke dag een schone jurk aan zal moeten, omdat er telkens wel een gehaktbal [...] of een chocoladetoetje overheen valt.’

Zijn schrijfdrift, zo legt Gruwez uit, komt voort uit een onverzadigbaar heimwee naar vroeger, maar is ook de inlossing van een belofte. De belofte namelijk dat hij ooit over zijn opa zou gaan schrijven. Hij kreeg alvast een synoniemenwoordenboek cadeau. Daar stonden alle woorden al in. Hij hoefde ze ‘alleen nog’ in de juiste volgorde te plaatsen. Zo is het natuurlijk maar net. Hoe zet je al die verhalen en anekdotes over demente oma’s en drankzuchtige opa’s in een zodanige volgorde dat ook de lezer die niet bij de Gruweetjes over de vloer komt, ze wil lezen?

Gruwez heeft een goede hand van afwisselen. Hier wat 19de-eeuwse achtergrond, daar een absurde dialoog tussen oma en kleinzoon. Hier een geestige kwinkslag, daar een boze uitval. De ene keer een leuke Vlaamse uitdrukking, de andere keer een strenge verhandeling over moderne geneeskunde, die soms genadiger is voor een bejaarde hond of poes dan voor een mens met doorligwonden.

Maar belangrijker nog dan de volgorde van de woorden is de onthutsend directe manier waarop, in het Deerlijk retour-gedeelte, twee hoogbejaarde zorgbehoeftigen ten tonele worden gevoerd. Gruwez maakt het niet mooier dan het is: veel poep en pies, veel ontluisterende valpartijen, veel gebrabbel en geklieder, veel stank en decorumverlies. Kleinzoon Luuk betreedt dit slagveld als mantelzorger en schrijver.

Eens in de veertien dagen reist hij van Oost- naar West-Vlaanderen om twee dagen te zorgen voor en te schrijven over de oude mensen die hem nastaan. Er klinkt liefde en ontroering in door, maar ook wel eens ergernis en vermoeidheid. Het sleutelwoord is hier ‘aanstotelijk’. Dit woord gebruikt Gruwez om uitdrukking te geven aan de uiteenlopende grom-, snurk-, piep- en kermgeluiden die oma Liesje en opa Knor maken. Aanstotelijk: een mengvorm van aanstekelijk en afstotelijk.

En dat is precies wat deze roman als geheel ook doet: hij steekt aan en stoot af. Ergens in het midden schuilt de wonderlijke charme van deze brokkelige, tragikomische familiesaga. Door zijn onverwacht praktische inslag drukt hij ons met de neus op bepaalde feiten. ‘Als we onze eigen oude dag niet in het vooruitzicht hadden’, schrijft Gruwez, ‘dan zouden we onze ouden van dagen totaal verwaarlozen.’

    • Janet Luis