'De zangers ontslaan, en de kantoren opheffen'

Het Fonds Podiumkunsten spreidt de pijn: minder geld gaat naar meer aanvragers. Maar zo schaadt het de top van de muziekensembles.

Wie blijven er over, wie sneuvelen er? Het nieuwe subsidiestelsel van het Fonds Podiumkunsten wil een helderder en eerlijker verdeling van minder geld (24 i.p.v. 40 miljoen) voor meer aanvragers. Het Rijk steunt de grote gezelschappen, het Fonds kiest dus voor ‘de kleintjes’. Dat klinkt zorgzaam. Maar is het ook wenselijk?

Vooropgesteld: de opdracht van het Fonds is een onmogelijke. Met overall 60 procent minder kún je niet alles in stand houden. Het Fonds spreidt de pijn door niet te kiezen, maar te schaven. Zo blijft in het licht van de bezuiniging tussen hoe dan ook een fiks aantal gesneuvelden nog relatief veel van het bestaande aanbod bestaan – in vermagerde gedaante. De overweging is waarschijnlijk dat een kunstlandschap met veel knokige gezelschappen straks, als de economie aantrekt, een betere basis voor wederopbouw vormt dan een wei met alleen nog een paar dikke prijsdieren. Tot die tijd hoopt het Fonds dat de gemeenten – met name Amsterdam – „de handschoen opnemen”, zoals fondsdirecteur George Lawson dinsdag verwoordde.

Toch roept die aanpak ook vragen op; vandaag stelde ook Tweede Kamerlid Jetta Klijnsma (PvdA) Kamervragen over de systematiek. Grote en internationaal gerenommeerde muziekensembles als ASKO/Schönberg, Nieuw Ensemble en het Nederlands Kamerkoor moeten door met minder dan de helft van de huidige subsidie. Dat betekent dat zij keuzes moeten maken die hun identiteit en kwaliteit schaden, waardoor de door het Fonds nagestreefde pluriformiteit juist op de tocht komt te staan.

Het Nederlands Kamerkoor krijgt straks nog een kwart van de huidige 1,7 miljoen. Het gaat alle zangers ontslaan, om ze voor minder programma’s als freelancer in te huren. „Onze hoop is gericht op samenwerking met de gemeente in een nieuwe vestigingsplaats”, zegt directeur Irene Witmer. „Mislukt dat, dan is dat het einde. Lukt het wel, dan gaan door met minder producties die we vaker zingen. Minder zelf een orkest inhuren, meer ingehuurd worden. Eigentijdse muziek hoort bij wie wij zijn, maar het lijkt me verstandig ‘lastiger’ repertoire dan in te bedden tussen toegankelijker stukken.”

Het Kamerkoor, nuanceert Witmer, overleeft met minder vlees op de botten. Maar onder de ensembles zijn er vele waarvoor dat niet geldt.

Strijkorkest Amsterdam Sinfonietta realiseert jaarlijks met 22 freelancemusici 45 concerten en eenzelfde aantal educatieve concerten. Huidige subsidie: 6,9 ton. Nieuwe subsidie: 5 ton. „Het probleem is dat we niet efficiënter kunnen”, zegt zakelijk directeur Joost Westerveld. „We herhalen onze acht programma’s al vijf keer, salarissen zijn soms – een dag naar Groningen voor 150 euro – zo laag dat ik me geneer. Maar wat vooral steekt is dat het streven ‘de top in stand te houden’ nu alleen geldt voor de symfonieorkesten en de opera. Strijkmuziek, nieuwe muziek en oude muziek heeft óók een top. Dat wordt nu even vergeten.”

De nieuwe muziek wordt het hardst geraakt. ASKO/Schönberg gaat van 1,2 miljoen per jaar naar 5 ton – mits het orkest (38 musici) rond de vijftig concerten blijft spelen. „Dat is alleen mogelijk als Amsterdam het Muziekgebouw aan ’t IJ straks meer budget geeft”, zegt directeur Wim Vos. „Met hogere uitkoopsommen in Amsterdam kunnen we elders voor minder een programma hernemen.” Doet de gemeente dat niet, dan wordt het stil in het Muziekgebouw, omdat vaste huurders/bespelers als ASKO en Sinfonietta dan zijn opgedoekt, of „in een busje” door het land toeren.

Het had, kortom, anders gekund. Vooral het feit dat de subsidiëring in het nieuwe systeem is gekoppeld aan aantal concerten „leidt tot perverse prikkels”, vindt Paul Dijkema, directeur van de Vereniging Nederlandse Muziekensembles. „Ensembles worden gestimuleerd een programma een paar keer extra te spelen, desnoods ver onder de prijs. Wie wordt daar beter van?”

„De prestatieafspraak is een denkfout”, vindt ook Vos (ASKO/Schönberg). „We krijgen minder, moeten meer. Meer concerten kan, maar daar zitten de zalen niet op te wachten.”

„Een hoger basisbedrag en een lager bedrag per concert had geleid tot een betere verdeling. Juist in een drukke markt moet je aanbod niet stimuleren”, concludeert Joost Westerveld van Amsterdam Sinfonietta.

De ensembles zijn in beraad. ASKO/Schönberg spreekt dinsdag met het Fonds. Ook met het lagere budget aldaar zijn andere oplossingen nog steeds denkbaar, zegt Vos.

„Ik ben niet principieel tegen fusie met bijvoorbeeld het Nieuw Ensemble [het andere grote ensemble voor eigentijdse muziek, red.], maar één gecombineerde aanvraag zou nu niet leiden tot een hogere subsidie, en dus is het niet zinvol. Maar we gaan het gesprek graag aan.”

    • Mischa Spel