De tragiek van een jongensman

Confidence Men van journalist Ron Suskind is een ontluisterend portret van de drie presidentsjaren van Obama. Suskind fileert een ‘amateur’, die na zijn inauguratie in 2009 ‘geen benul had van wat hij moest doen.’

President Barack Obama talks with members of his staff in the Oval Office following a meeting with the Congressional leadership, July 7, 2011. Pictured with the President, from left, are: Chief of Staff Bill Daley; Rob Nabors, Assistant to the President for Legislative Affairs; Bruce Reed, Chief of Staff to the Vice President; National Economic Council Director Gene Sperling; Jason Furman, Principal Deputy Director of the National Economic Council; Office of Management and Budget Director Jack Lew; Senior Advisor David Plouffe; and Treasury Secretary Timothy Geithner. (Official White House Photo by Pete Souza) This official White House photograph is being made available only for publication by news organizations and/or for personal use printing by the subject(s) of the photograph. The photograph may not be manipulated in any way and may not be used in commercial or political materials, advertisements, emails, products, promotions that in any way suggests approval or endorsement of the President, the First Family, or the White House. The White House

Ron Suskind: Confidence Men. Wall Street, Washington and the Education of a President. HarperCollins Publishers, 515 blz. €30,-

Barack Obama blinkt uit in twee dingen. Hij kan uitstekend luisteren, de spreker empathisch aankijken, knikken, en af en toe een sturende vraag stellen – zodat het lijkt alsof hij het helemaal met je eens is. En speechen kan hij, zegt hij zelf, zoals Michael Jordan basketbalt. Hij kan zijn publiek het gevoel geven deel uit te maken van een keerpunt in de geschiedenis.

Het waren deze eigenschappen die Barack Obama in 2008 het presidentschap van de Verenigde Staten bezorgden. Het was een verkiezing die grotendeels in het teken stond van de financiële crisis. Als Obama sprak, zeiden aanwezigen, kreeg je het gevoel dat je uit je dagelijkse zorgen werd getild. Dat alles weer in orde zou komen.

Wát hij zei, en wat hij precies wilde, was van minder belang. Zoals Franklin Delano Roosevelt in 1933 economische beterschap beloofde met de New Deal, zo weet Obama dat woorden en beelden een presidentschap kunnen maken. Hij zegt tegen schrijver en voormalig Wall Street Journal-journalist Ron Suskind: „Driekwart van wat FDR [Roosevelt, red.] deed, werkte niet. Maar hij bracht de boodschap over van ‘samen komen we hier doorheen’.”

Confidence Men, het recent verschenen boek van Pulitzerprijs-winnaar Suskind, is het meest gedetailleerde boek dat tot nu toe is verschenen over de drie jaar dat Barack Obama nu in het Witte Huis zit. Suskind interviewde ruim tweehonderd medewerkers, stafleden en mensen die Obama van nabij kennen. Ook sprak hij de president zelf. Hij concentreert zich op de vraag hoe Obama en zijn staf de economische crisis aanpakten, en hoe de president leiding geeft aan het Witte Huis.

Nog voor de verschijning van het boek zette het Witte Huis de tegenaanval in. Suskind had betrokkenen verkeerd geciteerd, gebeurtenissen verward, en het verhaal te dik aangezet. Het zijn beschuldigingen die lastig te controleren zijn, omdat Suskind schrijft in een reconstructiestijl. Hij doet alsof hij bij vergaderingen is geweest, terwijl hij alleen de betrokkenen heeft gesproken.

Groot verhaal

Suskind is een meeslepende verteller, die details en bewijzen zoekt die zijn centrale theses ondersteunen. Dan kan overdrijving, of psychologisering, op de loer liggen. Zo deed hij het eerder, bijvoorbeeld in het boek The One Percent Doctrine, over de regering-Bush en de strijd tegen terreur. De onderzoeksjournalist durft kleine verhalen ondergeschikt te maken aan één, stevig aangezet, groot verhaal. Het is voorstelbaar dat geïnterviewden daar achteraf niet blij mee zijn. Toch zijn de onjuistheden waarop Suskind is ‘betrapt’, niet zo ernstig dat ze de theses in Confidence Men onderuit halen.

Suskind lijkt gefascineerd door de tegenstelling tussen de Obama achter de autocue, en die in de dagelijkse sleur van het Witte Huis. Obama erfde van zijn voorganger, George W. Bush, een crisis die meteen om actie vroeg. De bank Lehman Brothers was failliet gegaan, andere banken stonden op instorten. De door Obama-manie maandenlang bedwelmde kiezers, daar was Obama zich zeer bewust van, verwachtten daden van hem. Obama zou de banken wel aanpakken, en Wall Street ook.

En daar stond hij dan, in januari 2009. De voormalige opbouwwerker uit Chicago, een briljante leerling, een opvallende senator, maar iemand die geen enkele ervaring had met leidinggeven. Een amateur, noemt Suskind hem. Hij had, kort door de bocht gezegd, geen flauw benul wat hij moest doen.

Ron Suskind fileert Obama, beschaafd, in ruim 500 pagina’s. De belangrijkste kritiek, vaak aan mensen toegeschreven die met de president werken of gewerkt hebben, is dat Obama geen gebruik heeft gemaakt van de historische kansen die zijn bijna messiaanse imago hem de eerste maanden van zijn presidentschap boden. Iedereen keek vol verwachting toe, maar eigenlijk gebeurde er niets. Obama had het te druk met het organiseren van een economisch team, het sussen van interne ruzies en het luisteren naar advies.

Luisteren werd in 2009 de sleutel van Obama’s regeerstijl. De dagelijkse economische briefing, onder leiding van het hoofd van de Nationale Economische Raad, Larry Summers, ontaardde steeds meer in een debatclub. Zoals dat gaat met collega’s die te veel vergaderen, beet iedereen zich vast in zijn stokpaardjes. Consensus werd nooit bereikt. Obama probeerde als een soort moderator vast te stellen waar zijn adviseurs het wél over eens waren. Summers, de minister van Financiën onder Bill Clinton die de reputatie heeft briljant en onuitstaanbaar te zijn, wist de discussie meestal naar zijn hand te zetten.

Summers speelt een hoofdrol in het boek, en via hem maakt Suskind meteen zijn tweede grote punt van kritiek duidelijk. Obama had tijdens zijn campagne gesuggereerd dat hij met een frisse ploeg het Witte Huis zou betreden, omdat hij niet geassocieerd wil worden met de regering-Clinton. Maar uit zijn benoemingen blijkt het tegendeel: de oude garde weet sleutelposities te veroveren. Zij hebben de politieke ervaring om idealisme in resultaten om te zetten, denkt Obama. Naast Summers keert ook Clintons oud-staatssecretaris Tim Geithner terug, nu als minister van Financiën. Clintons naaste adviseur Rahm Emanuel wordt stafchef in het Witte Huis, een waakhond-positie voor de president.

Obama begint onzeker aan zijn presidentschap, schrijft Suskind. Financieel-economische zaken liggen hem niet, en hij is bang dat hij het contact met de bevolking verliest. Iedere dag leest hij strikt, tot vandaag aan toe, tien brieven van gewone Amerikanen. Dat kan niet verhinderen dat de president vereenzaamt. Zijn gesprekspartner is iedere dag dezelfde groep: Summers, Geithner, Emanuel, en zijn strategisch adviseur David Axelrod.

Geithner en Summers houden radicalere Democraten vakkundig weg bij de president. Elizabeth Warren, een prominente Democraat en economisch adviseur van Obama, kreeg de president nauwelijks meer te spreken met haar pleidooi voor veel hardere maatregelen tegen Wall Street. Geithner, oud-president van de Federale Bank, hanteert een ander principe: te grote overheidsbemoeienis met de financiële sector zou het vertrouwen van de burger in de economie schaden, en op de lange termijn dus contraproductief zijn, vindt hij.

Geithner en de andere leden van de Clinton- groep worden afgeschilderd als de bijna-vrienden van Wall Street. Als verzekeraar AIG met vele miljarden dollars aan overheidssteun wordt gered van de ondergang, ontstaat een groot schandaal over de bonus die de top van het bedrijf zichzelf met dit geld toekent. Geithner protesteert tegen de bonus, maar vindt dat de overheid niet gaat over interne contracten van een bedrijf. Met die houding, zegt staatssecretaris Alan Krueger, ‘zijn we het land definitief kwijtgeraakt. We hebben het nooit teruggewonnen.’

Kapper

Suskind maakt van Geithner een bangige man, slecht verzorgd, met eeuwig slecht zittend haar, omdat hij geen fatsoenlijke kapper wil betalen. Dit soort details geven kleur aan een persoon, maar laden wel de verdenking op de auteur dat hij alle wapens inzet om de minister in te delen bij de bad guys, de mensen die Wall Street beschermden.

Het is wel vreemd, bijna onverklaarbaar, dat Obama zich omringt met mensen uit het tijdperk-Clinton. Juist van deze president neemt Obama openhartig afstand, hij noemt Clinton een ‘policy wonk’, iemand die verzand raakte in technische kwesties en de bevlogenheid miste. Suskind suggereert dat het komt door iets heel anders: Obama is ten diepste een jongensman. In de omgang met vrouwen is hij stug, onzeker, naar mannen zal hij instinctief sneller luisteren. Het is inderdaad opvallend dat de grootste haviken onder die economische adviseurs vrouwen waren: Elizabeth Warren, Sheila Bair, Christina Romer. Deze vrouwen vervreemdden van de president.

De sfeer in het Witte Huis slaat in de loop van 2010 om naar ronduit vijandig jegens vrouwen. Ze worden genegeerd bij beslissingen, en gekleineerd door stafchef Rahm Emanuel, die ongeveer in ieder citaat van hem een krachtterm gebruikt. Obama regelt het op zijn Obama’s: hij nodigt alle vrouwen uit voor een diner, luistert, en erkent impliciet dat er een probleem is. Maar hij zal er niets aan doen, want ‘ik heb Rahm écht nodig’. De vrouwen druipen verbijsterd af.

Een boek dat zo vilein zijn managementkwaliteiten in twijfel trekt, is natuurlijk slecht nieuws voor Obama. Soms heeft Suskind zijn typeringen van sommige stafleden wel erg karikaturaal gemaakt, maar de kern van Suskinds betoog zal Obama zich aan moeten trekken, een jaar voor de verkiezingen. De president zal weer iets van de betovering van 2008 terug moeten halen. Hij zal weer prikkelende vergezichten moeten bieden, want inzake de alledaagse werkelijkheid heeft hij volgens Suskinds boek bar weinig om trots op te zijn.