De dissidenten van het CDA blaffen wel, maar bijten niet

Bij het CDA liggen ‘dissidente’ Kamerleden erg gevoelig. Telkens speelt superioriteitsgevoel een rol. Zeker toen de fractie maar liefst tien dissidenten had.

De camera stond afgelopen dinsdag al ruim van tevoren op hen gericht. Genadeloos registreerde deze hoe de Tweede Kamerleden Kathleen Ferrier en Ad Koppejan bij de hoofdelijke stemming over Mauro Manuel ‘tegen’ prevelden. Tegen de moties van de oppositie om de al bijna tien jaar in Nederland wonende Angolees een definitieve verblijfsstatus te geven.

Weg verzet, waarmee ze een week lang het binnenlands politieke nieuws domineerden. Beiden vertoonden hetzelfde stemgedrag als de overige negentien leden van de CDA-fractie. De eenheid binnen de christen-democratische gelederen was hersteld. Precies waartoe Maxime Verhagen, vicepremier en aanvoerder van de CDA-ministers in het kabinet, aflopen zaterdag tijdens het congres van zijn partij zo dwingend had opgeroepen.

Afvallige Kamerleden. Voor alle fracties ligt het gevoelig, maar zeker bij het CDA, dat in het verleden zulke traumatische ervaringen opdeed met dissidenten. Het verschijnsel leek de laatste decennia voorbij, maar vorig jaar, bij de totstandkoming van het minderheidskabinet van CDA en VVD, lieten zij weer van zich horen. Bij monde van Koppejan en Ferrier, Kamerleden voor het CDA die zich niet op voorhand wensten neer te leggen bij de voor hen zo beladen gedoogconstructie met de PVV. Extra complicerend, zo’n tegengeluid, in een samenwerking waarbij elke stem bepalend is voor de noodzakelijke meerderheid.

Net als in november 1977, toen na een slopende kabinetsformatie CDA en VVD elkaar uiteindelijk wisten te vinden. Op papier beschikte de coalitie over 77 van de 150 zetels. Op papier. Want in de nacht van 29 november wezen na een tien uur durende fractievergadering zes van de 49 CDA-Kamerleden het regeerakkoord af. Onder hen bevond zich de beoogde fractievoorzitter Willem Aantjes. Hoewel zij tegen het regeerakkoord waren, beloofden de dissidenten het kabinet „zo enigszins mogelijk in loyaliteit te zullen bejegenen”. Waarmee het begrip ‘loyalisten’ was geboren. Zoals Aantjes tegen de aanstaande premier Dries van Agt zou zeggen: „Ik ga met dit kabinet geen binding aan, maar verklaar wel verbondenheid.”

De groep van zes dissidenten dan wel loyalisten zou later in de kabinetsperiode als gevolg van tussentijds toegetreden nieuwe fractieleden zelfs uitgroeien tot tien leden. Zij zorgden voor de nodige stampij in de CDA-fractie. „Ik werd er gek van”, zei toenmalig fractielid Hans Gualthérie van Weezel vorig jaar in een uitzending van het televisieprogramma Andere Tijden. „Van onze loyalisten hebben wij in ieder geval knap veel last gehad”, verklaarde ex-premier Dries van Agt in hetzelfde programma. Maar echt gebeten hebben de dissidenten nooit: het kabinet is niet om zeep gebracht. Van Agt-Wiegel zat, ondanks de interne oppositie, de rit volledig uit. Of het daadkrachtig kon regeren, is wat anders.

„Loyalisten zijn een recept voor een vleugellam kabinet”, verklaarde medeloyalist Hans de Boer achteraf. Hij had dan ook spijt van zijn besluit van destijds. „Je doet mee of je treedt uit, maar niet er tussenin.”

De loyalistenkwestie lag in 1977 mede zo gevoelig omdat het CDA nog een partij in oprichting was. In een poging de aanhoudende teruggang bij verkiezingen tot stilstand te brengen, onderzochten de drie ‘grote’ christelijke partijen, de Katholieke Volkspartij, de Anti-Revolutionaire Partij en de Christelijk-Historische Unie begin jaren zeventig de mogelijkheden tot een fusie. De gemeenschappelijke verkiezingslijst in 1977 was daarvan het eerste resultaat. Maar de fusie moest nog plaatsvinden.

Het CDA dat in de Tweede Kamer aantrad, bestond in feite nog uit drie verschillende partijen. De tien loyalisten waren op één Kamerlid na allen afkomstig uit de ARP, de meest principiële van de drie partijen. De antirevolutionairen waren de echte schriftgeleerden en hielden het meest vast aan een stevige bijbelse grondslag van het op te richten CDA. De andere twee partijen waren meer geïnteresseerd in een zo breed mogelijke partij die een grotere omvang en dus meer macht garandeerde. In de fractie „klaagden de katholieken dat de gereformeerden zo totaal anders waren dan zijzelf”, aldus de historicus Dik Verkuil in zijn boek over de geschiedenis van het CDA.

Het waren dan ook vooral gewetenskwesties die de dissidenten opbrachten: levering van verrijkt uranium aan Brazilië, dat het verdrag tegen verspreiding van kernwapens niet had ondertekend; de bewapeningswedloop; het afkondigen van een olieboycot tegen het apartheidsregime in Zuid-Afrika.

Het spannendste dissidentenmoment maakte het kabinet-Van Agt/Wiegel door op 27 juni 1980, toen in een nachtelijk debat de tien dissidenten plus nog drie andere CDA’ers met de oppositie meestemden om een olieboycot tegen Zuid-Afrika te eisen. De motie behaalde hiermee een meerderheid. Het kabinet weigerde echter de Kameruitspraak uit te voeren. Een motie van afkeuring van oppositieleider Den Uyl, die zou hebben geleid tot de val van het kabinet, werd vervolgens slechts door zes dissidenten gesteund en kreeg daardoor geen meerderheid. De vier dissidenten die kozen voor het voortbestaan van het kabinet wisten wat de consequentie van hun tegenstem zou zijn. Ze zouden door de rest van de partij „worden doodgeslagen als muggen” zoals één van hen het toentertijd uitdrukte.

Na de verkiezingen van 1981 was er net geen meerderheid meer voor het CDA en de VVD, en kon hun coalitie niet worden geprolongeerd. Het CDA ging met de PvdA in zee en daarmee verstomden ook de dissidenten. Toen ruim een jaar later CDA en VVD onder leiding van Ruud Lubbers opnieuw samen konden regeren op basis van een Kamermeerderheid, werd een aantal van de oude dissidenten vakkundig uitgeschakeld door hen óf in het kabinet op te nemen óf als burgemeester te benoemen.

Er resteerden toen nog twee echte ‘lastpakken’ in de fractie: Jan Nico Scholten en Stef Dijkman. Zij waren eind 1983 fel gekant tegen het voornemen van het kabinet 48 kruisraketten met kernkoppen op Nederlands grondgebied te plaatsen. Maar het CDA was inmiddels een echte gefuseerde partij geworden en onder leiding van voorzitter Piet Bukman, bijgenaamd de ‘drilboor’, werd de eenheid erin gehamerd. Er was geen compassie voor meer eigenzinnige geluiden. Toen Scholten en Dijkman met de oppositie meestemden tegen de plaatsing van kruisraketten, ontnam de rest van de fractie hun na een aantal roerige vergaderingen het woordvoerderschap op hun terrein. Beiden zouden weer volwaardig Kamerlid kunnen worden als zij zich schikten naar het fractiestandpunt over de kruisraketten.

Hierop besloten de twee in december 1983 de fractie te verlaten en onder de naam Groep Scholten/Dijkman verder te gaan. Lang duurde hun samenwerking niet. Stef Dijkman sloot zich twee jaar later aan bij de PPR. Scholten ging alleen door. Later werd hij lid van de PvdA.

De dissidenten straalden, als er weer een discussie oplaaide, een superioriteitsgevoel uit, omdat zij worstelden met hun geweten. Dit leidde telkens tot grote ergernis bij de anderen. Alsof de rest van de fractie geen geweten had. Het is dezelfde ergernis die vorige week opspeelde in de kwestie-Mauro. „CDA-top is Koppejan en Ferrier spuugzat”, meldde het AD afgelopen zaterdag op basis van anonieme bronnen in de partij. Ook hier was de scheidslijn het „morele superioriteitsgevoel van het duo”, terwijl toch iedereen in de fractie was begaan met het lot van de Angolese jongen.

Asielbeleid is al eens een echt breekpunt geweest voor een CDA-dissident. In 1998, een half jaar na zijn verkiezing, stapte Jacques de Milliano uit de fractie, omdat hij het niet eens was met het terugsturen van Bosnische vluchtelingen. Het boegbeeld van Artsen zonder Grenzen, dat een prominente 12de plaats op de kandidatenlijst had gekregen, verliet de politiek en werd opnieuw huisarts.