Boze boerin, Duitse soldaat - en een bijl

Jan Procházka: Koets naar Wenen. Vert. H. van Lynden. Wereldbibliotheek, 128 blz. €15,90

Koets naar Wenen (1967) speelt zich af in de allerlaatste dagen van het Derde Rijk. Twee Duitse soldaten, op de vlucht voor het Rode Leger, dwingen een Moravische boerin hen met haar paard- en-wagen naar Wenen te brengen. Wat ze niet weten is dat haar man een dag eerder door de Duitsers is opgehangen. De boerin zint op wraak. Verstopt onder het hooi op de wagen smokkelt ze het zwaard der gerechtigheid mee, in de vorm van een bijl.

De ene Duitser is zwaargewond. Wanneer de boerin over haar schouder kijkt, weet ze genoeg: ‘De klokken luidden al voor hem en de hemelpoort ging al voor hem open.’ Blijft er voor de wraakneming één kandidaat over: een 19-jarig soldaatje dat over zijn eigen benen struikelt en bij elk vogelgeritsel in de struiken zijn geweer doorlaadt.

De vrouw is niet van plan naar Wenen te gaan en rijdt rondjes door het bos, in afwachting van het moment om toe te slaan. Aan deze situatie dankt de novelle haar spanning, maar de diep emotionele werking ontstaat door de interactie tussen de soldaat en de vrouw, en door de informatie die we krijgen over het harde, ellendige boerenbestaan dat zij tot gisteren met haar echtgenoot deelde: ‘De hele dag waren ze op het land of tussen het vee, en als ze in hun slaap door een droom werden bezocht, droomden ze enkel weer dat ze op het veld stonden of in de stal waren.’

Een leven zonder tederheid: ‘Ondanks het geestdodende geploeter leken haar de echtelijke dagen draaglijker dan de nachten [...] Ze lag onder zijn botten en spieren als onder een verstikkende grafsteen. In de plakkerige stilte zei hij dan: ‘‘Ik heb straks niet genoeg mest voor de bieten”.’

In schril contrast met de grote sterke boerin staat het bange, onhandige, zwakke Duitse soldaatje, een stadsjochie. Maar wel met een geweer.

Koets naar Wenen is een verhaal van basale tegenstellingen als man- vrouw, stad-land, leven-dood, vergelding-vergeving, die door Jan Procházka met verpletterend krachtige beelden en expressionistisch taalgebruik (‘Water kabbelde, het levensvocht raasde, overal puilde het groensel uit. Wat groeit en bloeit sloeg zijn tentakels uit in het donker, woelde boven de greppel, slobberde als brooddeeg in de bakkerstrog’) worden opgeroepen – en in het verrassende einde opgeheven.

Jan Procházka (1929-1971) heeft dit verhaal ook verfilmd. Film en boek werden verboden na de inval in 1968 van de troepen van het Warschaupact; de auteur had een te belangrijke rol gespeeld tijdens de Praagse Lente. De thuisreis van de boerenkar op de laatste bladzijde weerspiegelt het verloop van het landleven, dat wordt beheerst door cyclische herhaling. En zoals de jaargetijden elkaar opvolgen, zo kennen schrijvers roem, sterven ze in vergetelheid... en worden ze herontdekt.

Marco Kamphuis