Wie naakt verwart met mooi begrijpt iets niet

Alle filmacteurs willen onsterfelijk worden. Omdat het kan. James Dean en Grace Kelly en Marcello Mastroianni zijn het bijvoorbeeld. Larger than life vlinderen ze over de schermen van bioscoop, laptop en tv. Als het woord bestond kon je ze ‘ongestorven’ noemen.

En nu willen de filmacteurs ook nog af van hun leeftijd, forever young is de bedoeling. Cosmetische chirurgie voldoet niet meer, het mes moet in de geboortedata. Vermelding daarvan kost hun rollen, menen ze. Daarom eisen twee grote Amerikaanse acteursvakbonden dat de Internet Movie Database (de onvolprezen internetfilmencyclopedie imdb.com) niet langer de geboortedatum van tv- en filmacteurs vermeldt.

Maar hun leeftijd staat toch in hun films gekrast? Wie in een film uit 1991 acteerde, is nu twintig jaar ouder, daar hoef ik imdb.com niet voor op te slaan. Die filmacteurs moeten de filmindustrie aanpakken, niet een naslagwerk.

Al die slanke film-oma’s met een gezicht van hooguit 41, al die filmvaders met een torso van 35 (oude-mannendijen worden ontembaar schriel, je ziet het als je erop let, en daar is blijkbaar weinig aan te doen anders deden die acteurs het wel) verraden het: de filmindustrie en het filmpubliek zijn als de dood voor de dood. En nog banger zijn ze voor het opstapje ernaartoe: het lichaam in verval. Vandaar dat film ‘naakt’ doorgaans verwart met ‘mooi’. Dat is een vergissing. Naakt is niet per se mooi, naakt is iets tonen wat zich niet anders laat uitdrukken. Maar je moet wel durven en film vreest vaak de werkelijkheid. Het theater niet, dat vaart er wel bij.

Jack Wouterse speelt het stuk SLAAF, over eetverslaving (en over cocaïne, maar dat is meer in het voorbijgaan). Verslaving is een boos beest, en een eetverslaving is eens zo vals, want die ligt dicht naast iets gewoons als geef-ons-heden-ons-dagelijks-brood. Ik zie Wouterse razen. Buffelmozzarella! „Ik móét vreten!” Geobsedeerd is hij, sadistische fantasieën denderen zijn mond uit alsof hij uitkotst wat hij allemaal heeft weg geschrokt. In zijn overhemd tekent zich zweet af, al snel plakt de stof tegen zijn tieten.

Zijn tieten, ja.

Want Wouterse is zwaar. Obees. En hij kleedt zich in dit stuk uit tot op zijn enorme onderbroek. Dat moet. Niet omdat het mooi is, maar omdat zijn blote vetrollen onbarmhartig het verdriet achter zijn woedende monoloog verduidelijken.

Naakt betekent niet per definitie bloot, het beduidt dat er iets verborgens aan het licht komt. Naakt is het gezicht van Maria op Rembrandts ontroerende schilderij De heilige familie. Het doek uit de Hermitage in St. Petersburg is even te gast in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Maria begluurt de boreling in het rieten wiegje zoals jonge moeders dat doen. Maar ze negeert vooral Jozef, in de schaduw achter haar in de weer met een bijl. (Met een bijl!) Een engeltje fladdert stationair boven het gezinnetje. Dat moet het geweld dempen dat Rembrandt hier, per ongeluk?, suggereert.

Zulk onthul-naakt hoort erbij, soms tot schrik van de kunstenaar zelf. In de bunker van De Nederlandsche Bank aan het Frederiksplein in Amsterdam is een expositie van de schilder Ronald Zuurmond. Wie zich aanmeldt, mag donderdags en vrijdags naar binnen, een telefoontje is genoeg. (Sommige dingen zijn te mooi om waar te zijn, maar daarom niet onwaar).

Zuurmond maakt ijle schilderijen, met menselijke figuren die de zuigende abstractie om hen heen een loer zitten te draaien. Somber zijn ze, en speels. Skeletten in feestkleding. Veel van wat ik zie, is geïnspireerd door zijn twee kleine dochters, vertelt de schilder: „Ze lopen in mijn atelier in verkleedkleren om me heen en ze hebben van die leuke spulletjes.” Af en toe geven ze hem iets cadeau: „Voor je schilderij, papa.” Hij wijst naar de dwarse strepen in een roze schilderij: „Stokken van de barbietent.”

Heeft hij zijn dochters weleens geschilderd? „Ja. Maar dat werden steeds lijkjes. Schedeltjes. Dus dat doe ik niet meer.”

Ronald Zuurmond wil dat niet zien en hij wil het niet laten zien. Maar kijk naar zijn skeletjes, naakt onder hun verkleedkleren, en je ziet het toch.

    • Joyce Roodnat