Roze handschoenen bij alles

Diana Vreeland, hoofdredacteur van Vogue, maakte als eerste bijzondere tentoonstellingen over mode. Nu zijn er een boek en een documentaire over haar.

e opzienbarende expositie Savage Beauty van de onlangs overleden modeontwerper Alexander McQueen trok dit jaar in vier maanden 661.509 bezoekers naar het New Yorkse Metropolitan Museum of Art, de bakermat van de modetentoonstelling. Diana Vreeland (1903-1989) was de eerste die mode op een sensationele manier niet-chronologisch in een museum durfde exposeren. Vanaf 1972 stelde ze twaalf spectaculaire tentoonstellingen samen voor het Metropolitan.

De in Parijs geboren Diana Vreeland was geen groentje meer toen ze bij het museum begon. Ze was 69 jaar en had carrière gemaakt bij Harper’s Bazaar als moderedactrice en was daarna hoofdredactrice van Vogue geworden. Iedereen kent nu Anna Wintour; Diana Vreeland was de eerste superhoofdredacteur. Toen ze in 1971 wegging bij Vogue was het directeur Thomas Hoving van het Metropolitan die zag hoe belangrijk mode in de cultuur was geworden en bood haar een functie als special consultant aan.

Binnenkort draait op het IDFA een documentaire over Diana Vreeland van Lisa Immordino Vreeland, de echtgenote van Vreelands kleinzoon. De titel van de documentaire, The Eye Has To Travel, komt uit Allure, Vreelands fotoboek uit 1980 waarin ze opmerkt dat „het oog moet dwalen”, want: „Is er iemand die een plaatjesboek ‘leest’ en begint bij het begin?” Zijzelf in elk geval niet. Onder dezelfde titel is ook een boek verschenen met een kroniek van vijftig jaar mode met veel pagina’s uit Harper’s Bazaar en Vogue.

Klein lelijk monster

Vreeland werd geboren als Diana Dalziel in Parijs. Uit vrees voor de Eerste Wereldoorlog verhuisden haar ouders in 1914 naar Londen, en kort daarna naar New York. Over haar vader, een afstandelijke Brit en talentloze effectenmakelaar, schreef Vreeland: „Hij had geen geld, verdiende geen geld en dacht niet na over geld.” Nu was dat ook niet echt nodig dankzij zijn gefortuneerde Amerikaanse vrouw, een mondaine dame en notoir vreemdgangster die haar dochter kleineerde. „Ik was altijd haar kleine lelijke monster”, schreef Vreeland in haar autobiografie DV(1985), een bestseller vol proustiaanse verhalen die allemaal verwijzen naar Vreelands oog voor detail, decadentie en fantasie. Een typerend DV-verhaal gaat over een zogenaamde chasseur, een loopjongen van Parijse demi-mondaines. Vreeland kreeg zijn dagboek met namen van alle ‘beschikbare’ vrouwen van Parijs, mét beschrijvingen. „Stel je voor”, schreef ze, „die man (de chasseur) was de enige ter wereld die wist dat er een vrouw bestond met een moedervlek op haar linkerheup die erg begeerd werd door ene Duc de Quelque Chose, en die omdat hij niet hoog in aanzien stond, flink moest dokken.”

Verhalen, vreemder dan fictie, Vreeland smulde ervan. Dol was ze ook op de jaren twintig, voor en tijdens de drooglegging, door haar schertsend het Martini-tijdperk genoemd, een tijd dat iedereen beschonken uit de taxi op het trottoir rolde, zijzelf incluis. Vreeland, in 1924 getrouwd met de bankier Thomas Reed Vreeland, was een veel geziene gast op de feesten van de New Yorkse elite.

Carmel Snow, de hoofdredactrice van Harper’s Bazaar, ontdekte in 1936 de charismatische Vreeland tijdens een bal in het chique St. Regishotel, dansend in een witte Chanel-jurk van kant, witte rozen gevlochten in haar donkere lokken. Hetzelfde jaar schreef Snow een profiel over de Park Avenue socialite en benaderde haar om voor reuring in haar blad te zorgen. Vreeland, toen 33, hield in eerste instantie de boot af. „Ik ben nooit gekleed voor lunchtijd.” Ze debuteerde in Harper’s met Why Don’t You?, een succesvolle, lichtelijk absurde rubriek met tips als: ‘doe als de Fransen, was het blonde haar van uw kind met champagne’, ‘waarom draag je geen roze handschoenen bij alles’ en ‘waarom draag je niet net als de hertogin van Kent drie enorme diamanten sterren in je haar’. Drie jaar later werd Vreeland, die een neus had voor luxe en fabelachtige modekennis, aangesteld als moderedactrice. Anders dan haar voorgangers – meestal societydames die hoedjes op het hoofd zetten bij andere societydames – nam ze haar vak serieus.

Bijzonder was Vreelands bevlogenheid, vond ze iets mooi – dat hoefde beslist niet per se mode te zijn – zoals het naakte lichaam van danser Rudolf Nureyev of Afrikaanse kostuums, dan wijdde ze er twintig pagina’s aan.

Als een impresario omringde Vreeland zich met de besten. Modefotografen als George Hoyingen-Huene vierden de luxe uit Parijs met couture van Chanel, Schiaparelli en Madame Grès. Vanaf de jaren veertig werkte Vreeland met de Amerikaan Richard Avedon (1923-2004). Zijn genadeloos belichte en onorthodoxe composities die onder Vreeland tot stand kwamen – model Dovima poserend voor drie olifanten – inspireren nog altijd ontwerpers, fotografen en stylisten.

Vreeland werkte 26 jaar voor Harper’s Bazaar en groeide uit tot een landelijk bekend mode-icoon. In 1962 werd ze hoofdredacteur van Vogue. Ze bleef daar negen jaar en zette persoonlijkheden in het blad als Mick Jagger en Elizabeth Taylor, maar ook Griekse partizanen met doorleefde oude koppen. Ze deed verslag van een weekend met de hertog van Windsor en zijn modeminnende Wallis Simpson.

Vreelands Vogue was afwisselend, maar de vrouw die ze neerzette in modereportages was onveranderlijk het type luxepoes, verslaafd aan dure couture van Balenciaga, net als Vreeland zelf. Die visie op vrouwen vond de uitgever van Vogue te beperkt voor de jaren zeventig. Volgens Condé Nast had de lezer behoefte aan een meer ambitieuze vrouw. Vreelands vrouw was te behoudend.

Glamour, Glitter, Romance

Maar de 69-jarige was nog vol vuur en vond in het Metropolitan Museum of Art een nieuwe plek om haar ideeën aan het publiek te presenteren. Voor de Amerikaanse museumwereld had ze een revolutionaire visie. Diana Vreeland zag het museum vooral als plaats voor theatrale presentaties. Voor haar expositie Glamour, Glitter, Romance over de kleding van Hollywoodsterren (1975, 798.665 bezoekers) plaatste Vreeland een mannequin op een opgezette olifant, die ze had geleend van haar vriend Andy Warhol. Ze liet muziek klinken in de museumzalen, zorgde voor dramatische belichting en verfde de muren in glanzend felle kleuren. Voor The Glory of Russian Costume in 1976 liet ze elke morgen het zware Cuir de Russie-parfum van Chanel in de zalen spuiten. Er kwamen 835.862 mensen op af.

Vreelands tentoonstellingen vertelden over haar eigen fascinaties. In 1983 was het voor het eerst dat een museum een tentoonstelling wijdde aan een nog levende ontwerper, Yves Saint Laurent, met Christóbal Balenciaga haar favoriete ontwerper. Aan hem had ze – ook al revolutionair, amper een jaar na zijn dood in 1972 – ook een expositie gewijd. Vreeland haalde als eerste hofkleding uit Rusland, vond de laarzen van Peter de Grote, bracht de originele Ballets Russes danskledingcollectie bijeen. De historische expositie Fashion of the Hapsburg Era vond Vreeland niet compleet zonder de gehavende blouse van keizerin Elisabeth – Sissi – waarin ze in 1898 werd doodgestoken.

Vreelands exposities waren lang niet altijd historisch correct met aangeklede poppen die gestyled waren volgens de sfeer en tijd waarin de kleding was ontworpen. Centraal stonden schoonheid, originaliteit en decadentie. Met haar radicale ideeën brak Vreeland de modecuratorenwereld open. Hedendaagse tentoonstellingsmakers, zoals Olivier Saillard (Madame Grès in het museum van de beeldhouwer Antoine Bourdelle in Parijs), gebruiken nog steeds haar ‘taal’.

In 1989 overleed Diana Vreeland op 86-jarige leeftijd, een leven lang sprankelend gebleven door de vraag ‘Why don’t you’. Vooruit nog eentje: „Waarom bedek je een kurken prikbord niet met een lap helder roze vilt en prik je daar met gekleurde punaises al je enthousiaste bevliegingen op, zoals die van week tot week veranderen?”

Diana Vreeland: The Eye Has to Travel. Uitg. Abrams. De documentaire draait op het IDFA op 23, 24 en 26 nov. Inl. idfa.nl.