Podiumkunsten opgeschud

De podiumkunsten krijgen het zwaar. Hun publiek zal het moeten doen met een slinkend aanbod van toneel, dans en muziek. Hoe schadelijk dat is, zal de toekomst uitwijzen. Voor nu kan worden vastgesteld dat het Fonds Podiumkunsten er in slaagt om de halvering van het subsidiebudget (van 40 miljoen euro naar 24,5 miljoen per jaar) aan te grijpen voor een helder nieuw systeem van subsidieverlening.

Aangezien het Rijk zijn subsidies vanaf 2013 concentreert op het aanbod in de grote zalen, kiest het Fonds voor ondersteuning van middelgrote en kleinere instellingen. Het hoopt op die manier de pluriformiteit te behouden die de Nederlandse theaters sinds de jaren zeventig positief onderscheidt, nationaal en internationaal.

Toekenning van subsidie door het Fonds gebeurt op basis van een puntensysteem dat de kwaliteit en het bereik van de voorgenomen voorstellingen in kaart brengt. Ook het activeren van sponsors weegt mee: artistieke kwaliteit en ondernemerschap hebben even veel belang. Het is een duidelijk signaal, dat de gezelschappen belet weg te duiken in l’art pour l’art. Niet dat ze op hun hurken moeten gaan zitten, maar ze zullen moeten waarmaken dat wat ze bieden het publiek bereikt. Immers, dit is subsidiegeld, bedoeld om de kunsten en de burger tot elkaar te brengen.

In het nieuwe stelsel begint iedereen steeds weer bij nul. Het ‘abonnement’ op subsidietoekenning, dat bepaalde gezelschappen leken te hebben, vervalt. Goed idee. Wie zijn sporen verdiend heeft, moet aantonen dat hij die sporen nog altijd mag dragen. Ook de maxima die worden gesteld aan de subsidiebedragen betekenen dat een indrukwekkende reputatie of een vast eigen publiek voortbestaan niet garandeert. Eerder ontvangen bedragen lagen substantieel hoger. Het verschil zal elders geworven moeten worden, er moet worden ingekrompen of zelfs gesloten. Zoiets is schrikken voor gerenommeerde gezelschappen. Maar het kan ook louterend werken. Ze moeten zichzelf opnieuw uitvinden. Achterover leunen in succesverhalen of prestige kan niet langer. Zo zullen de kunstenfestivals zich moeten afvragen of hun ‘broedplaatsen’ en andere doe-het-zelf-nevenactiviteiten niet buiten hun opdracht vallen.

Maar er schort nog wel iets. Over een nieuwe vorm van selectie van de commissies van ‘deskundigen’ spreekt het Fonds met geen woord. Terwijl de schijn van belangenverstrengeling zwaar bijdroeg aan verlamming van het vorige systeem. De commissies worden minder machtig, maar de subsidievrager die ‘innoveert’ kan een premie van 20 procent krijgen. Wat is innovatie? Het is een zwaar subjectief begrip en voor je het weet een makkelijke smoes om vriendjespolitiek te excuseren.