Op zoek naar de moedige agent

Agenten zijn bang voor grof geweld, voor aanklachten van burgers en bang om in te grijpen.

Een weerbaarheidstraining moet dat veranderen.

Nederland, Rotterdam, 14-07-2009 Twee wijkagenten op het Heemraadsplein te Rotterdam. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS

. Ongeveer anderhalf jaar nadat ze in dienst zijn getreden, hebben de meeste politieagenten hun eerste heftige zaken meegemaakt. Vechtpartijen, dodelijke aanrijdingen, conflicten waarbij schoten zijn gevallen.

De meeste agenten zie je ook na ongeveer anderhalf jaar veranderen, vertelt politietopman Jan Struijs. „Hun wereldbeeld verandert. Ze krijgen soms een hekel aan jan en alleman. De vraag is dan of ze genoeg incasseringsvermogen in huis hebben om zichzelf te beschermen tegen die rauwe wereld. Daar moeten wíj bij helpen.”

Een „zware cultuurinterventie”, noemen Jan Struijs en Leon Kuijs het nieuwe programma, dat agenten bestand moet maken tegen de toenemende agressie in de maatschappij. Struijs is directeur versterking professionele weerbaarheid bij de politie. Kuijs is voorzitter van de Raad van Korpschefs en één van de kwartiermakers van de nationale politie, die op 1 januari zou moeten beginnen. De huidige 25 regiokorpsen moeten dan opgaan in één landelijk korps.

Zo’n weerbaarheidsprogramma is nodig, omdat een flink deel van de politieagenten ‘verminderd weerbaar’ is, zoals dat in jargon heet. Ongeveer één op de vijf agenten kampt met psychische of sociale klachten. En een kwart van hen grijpt niet in bij riskante situaties. Agenten zijn bang voor grof geweld, bang voor aanklachten van burgers en kennen hun collega’s soms niet genoeg om op elkaar te kunnen bouwen.

Zijn agenten gevoelig en bang geworden, of is er iets anders aan de hand?

Jan Struijs: „We hebben laten onderzoeken waardoor agenten verminderd weerbaar zijn, en daar zijn drie hoofdoorzaken voor.

„Eén: de huidige organisatie van de politie, de bureaucratie en administratieve lastendruk leveren stress op. Onze mensen zeggen dat ze de straatstenen uit de straat rijden, maar van compensatie is geen sprake. Tweede oorzaak is de toename van agressie in de maatschappij: de middelvinger, de korte lontjes. Ten derde is de thuissituatie belangrijk. Of je thuis goed in je vel zit, dat doet ertoe voor het werk. Partners moeten beseffen: ik woon in huis met iemand die een hoogrisico-beroep heeft. Als het even niet lekker gaat, dan moeten ook partners ergens heen kunnen binnen de politie.”

Leon Kuijs: „De agent op straat is in de knel gekomen. Die is onder steeds grotere druk komen te staan, en dat zie je terug in hun werk. Agenten grijpen niet altijd in als de situatie daar wél om vraagt. Soms staan ze met te weinig mensen, zijn ze bang om onderliggende partij te worden in het gevecht. En een ander probleem: leidinggevenden staan niet te juichen als agenten hebben geschoten, of hun wapenstok of pepperspray hebben gebruikt. Die verantwoordingscultuur is helemaal terecht, maar moet niet té zwaar zijn. Het is onderdeel van ons werk om geweld te gebruiken. Dat moeten we normaliseren.”

De fouten liggen dus niet bij de agenten, maar bij de organisatie zelf?

Leon Kuijs: „We hebben een periode achter de rug waarin de politie je beste vriend was. Voetballen met probleemjongeren, dat soort werk. Geweld was taboe, je wapenstok gebruiken een teken van verbaal onvermogen. Die periode heeft lang geduurd, van de jaren zeventig tot de tweede helft van de jaren negentig. Pas in deze eeuw zie je de verandering in snel tempo: de maatschappij vraagt weer om robuust optreden.”

Jan Struijs: „We moeten nu terug naar de moed, naar de moedige agent. Jarenlang was je tong je zwaard, daar selecteerden we ook mensen op. Die tijd is nu voorbij. We gaan bij werving en selectie van agenten niet meer alleen naar opleiding kijken, maar ook of mensen weerbaar genoeg zijn. Of ze de psychische druk aankunnen.

„En waar dat bij mensen die nu in dienst zijn, soms even niet het geval is, daar moet de begeleiding en monitoring beter. Het is voor mensen met een hoogrisicoberoep normaal dat zij vier keer in hun leven een psychische blessure oplopen. Hulp moet dan laagdrempelig zijn, en chefs moeten zulke problemen eerder signaleren.”

Het klinkt alsof dit de politie is overkomen, terwijl de organisatie zélf het vak uit het oog is verloren.

Leon Kuijs: „Hadden wij dit in eigen hand? Die vraag hebben wij onszelf natuurlijk ook gesteld. Ja, het is de politietop die dit zelf heeft veroorzaakt. Maar als we de problemen van nu hadden willen voorkomen, dan hadden we jaren geleden een ouderwetse, stoïcijnse organisatie moeten blijven. We zijn toen meegegaan met moderne manieren van leiderschap. Met protocollen opstellen, verantwoordingsrapportages maken... Daar heeft de essentie van ons politiewerk onder geleden. We moeten weer terug naar de kern van wat de politie doet.”

Hoe gaan jullie dat aanpakken?

Jan Struijs: „We willen bijvoorbeeld terug naar de ploegenstructuur. Geen individuele roosters meer, maar robuuste teams. Zodat collega’s elkaar kennen. ”

Leon Kuijs: „We zijn erachter gekomen dat je niet op processen kunt organiseren. Nu is er een apart handhavingsproces, een apart rechercheproces, overal zijn aparte processen voor en overal zitten andere mensen op in kleine teams. Terwijl al die zaken in de praktijk dwars door elkaar lopen. We willen weer hechte teams organiseren. Teams die de basispolitietaak kunnen uitvoeren: noodhulp, wijktoezicht, evenementen, de veelvoorkomende criminaliteit kunnen aanpakken.”

Jan Struijs: „Daar is 80 procent van de agenten ook voor, terwijl ze weten dat ze zichzelf daarmee wat hun privéleven betreft in de vingers snijden. Het was een groot goed dat ze donderdagavond naar hun eigen voetbaltraining konden, maar ze zien zelf ook dat het er echt toe doet met wie ze een dienst draaien. Agenten moeten elkaars competenties kennen, op elkaar kunnen vertrouwen en elkaar steunen. Dat teamgevoel gaat boven privébelangen.”

Minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) heeft bij de aankondiging van dit weerbaarheidsprogramma gezegd dat hij er geen extra geld voor uittrekt. Hoe betalen jullie al die trainingen dan?

Jan Struijs: „Het geld voor de trainingen komt uit het budget van de agenten zelf, daar zijn de vakbonden, de politietop en de minister het over eens geworden.”

Leon Kuis: „De trainingen betekenen een verschuiving van de agenten: ze zijn meer met opleidingen bezig en minder op straat. Ze gaan beter voorbereid de straat op, maar draaien minder diensten. Dat is een keuze die je maakt.”

Door geen extra geld uit te trekken, laat de minister niet zien dat zijn prioriteit hier ligt.

Leon Kuis: „Ik hoef de minister hier niet te verdedigen. Hij is duidelijk in zijn beleid.”

Jan Struijs: „Wij zullen in onze eigen begroting moeten schuiven. Wat we kunnen zeggen: als politie moeten we doorlopend de schaarste verdelen, elke dag. Neem een korps als Rotterdam Rijnmond. Daar krijgen ze gemiddeld tussen de 800 en 1.200 meldingen per dag, en op basis van hun capaciteit kunnen ze er maar 600 doen. Het is niet aan ons om daar politieke uitspraken over te doen, wij kunnen alleen ons best doen.”